Meesters en manieren

Het sluimerde al langer, maar is nu in zijn volle omvang naar buiten gekomen: de wrevel die er bij het Openbaar Ministerie (OM) bestaat over de aantijgingen die verscheidene advocaten regelmatig richten aan het adres van officieren van justitie. De voorzitter van het College van procureurs-generaal, Brouwer, heeft zich in een brief aan de Orde van Advocaten beklaagd over beledigende uitspraken die enkele advocaten onlangs in het dagblad De Pers hebben gedaan over de Amsterdamse officier van justitie Plooy.

Het is terecht dat Brouwer het voor Plooy opneemt, want uitlatingen als „hij gaat vanuit een bijna jihadistische visie te werk” (Nooitgedagt), „hij zou bij wijze van spreken zijn moeder nog verkopen voor zijn carrière” (Boone) overschrijden ruimschoots de grens van het zakelijke én betamelijke.

Dat de emmer bij het OM is overgelopen, heeft als voordeel dat de verharding van de omgangsvormen in – en vooral buiten – de rechtszaal nu ter discussie wordt gesteld. De reactie van deken Bekkers van de Orde van Advocaten op de brief van Brouwer was hoopgevend: „Ik wil het op het volgende jaarcongres van advocaten hebben over onze manieren”, zei hij gisteren in deze krant.

Ook het OM doet er goed aan de hand in eigen boezem te steken en zich af te vragen wat de oorzaak is van die onbekookte uitvallen van advocaten. Hoewel het om uitzonderingen gaat, zijn er te veel zaken waarbij ook de rechter tot de conclusie komt dat een officier van justitie zich niet aan de regels heeft gehouden die bij een ordelijke rechtsgang horen. Zoekgeraakte dossiers, de mislukte zaak tegen de Hells Angels, een uitspraak van de rechtbank in Den Bosch dat de rechten van een verdachte „grof waren veronachtzaamd” waardoor een mensensmokkelbende niet kon worden berecht – ze doen afbreuk aan het vertrouwen dat burgers in het rechtssysteem moeten kunnen hebben, een wezenlijke voorwaarde in een democratische rechtsstaat. Voor een deel hebben ze wellicht te maken met de schijntegenstelling dat een officier van justitie ofwel een crimefighter is ofwel staat voor een fatsoenlijke gang van zaken voor en tijdens een proces. Alsof het één het ander zou uitsluiten.

De ‘verpersoonlijking’ in het strafproces is vermoedelijk debet aan de vergroving van de omgangsvormen. Sinds advocaten in de media op soms hoge toon de zaak van hun cliënten bepleiten en het OM zich geroepen voelt daarop te reageren, sinds ook rechters kennelijk met hun voornaam moeten worden aangeduid, is hun kleding gaan verkleuren, het zwart van de toga dat staat voor afwijzing van ijdelheid en de witte bef die neutraliteit symboliseert.

De staande en de zittende magistratuur en de advocatuur hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het aanzien van en het vertrouwen in het recht. Officieren en advocaten horen in de rechtszaal elkaar met alle denkbare juridische middelen te bestrijden en dat mag inderdaad op het scherp van de snede. Maar, confrères, amici, collegae, kan het er buiten de rechtszaal wat kalmer en beschaafder toegaan?