Er zijn al te veel meritocraten

Ik denk niet dat een mens alléén te prikkelen is met geld, en ik geloof evenmin dat Kelder dat wenst, schrijft Rob Wijnberg.

Jort Kelder schrijft dat „Nederland een decadent, volgevreten en matig bestuurd land is”, dat gebukt gaat onder de „terreur van de Balkenendenorm” (Opiniepagina, 8 augustus). Het resultaat: een ondermaats presterende economie en een publieke sector met tweederangs managers die, anders dan hun talentvolle alter ego’s in het bedrijfsleven, genoegen nemen met een schamel ministerssalaris of minder. Volgens Kelder is dat de wereld op zijn kop. Want, zo zegt hij: „Ik heb liever een ambtenaar die een miljoen verdient en een miljard bespaart, dan eentje die een ton krijgt, maar niet kan voorkomen dat allerlei incompetente managers […] miljarden door hun vingers laten glippen.”

De paradox in Kelders pleidooi is dat hij enerzijds jan met de pet aanbeveelt te berusten in economische ongelijkheid (‘houd eens op met zeuren over topinkomens’), terwijl hij anderzijds diezelfde economische ongelijkheid bejubelt als dé drijfveer voor mensen om te presteren (‘goede krachten kosten geld’). Dat is vissen in twee vijvers. Een meritocratische samenleving gaat per definitie gepaard met afgunst onder de minder bedeelden, zij hebben immers het talent niet om ‘mee te komen’. Zoals een nivellerend socialisme ook automatisch gepaard gaat met een verlies van prikkels om het beter te doen dan de rest.

Dat het qua talent en ambitie armoedig gesteld is met de publieke sector, zoals Kelder constateert, komt dan ook niet omdat te weinig mensen denken zoals hij, maar juist omdat heel veel mensen denken zoals hij.

Hoe kan anders die braindrain verklaard worden die hij zo vreest? Dat beloningen in de publieke sector minder riant zijn dan in het commerciële bedrijf is maar deels het antwoord: het andere deel is dat de meest getalenteerde mensen blijkbaar liever meer verdienen bij Shell of Philips dan zich voor minder salaris in te zetten voor de publieke zaak. Zij zijn, kortom, typische meritocraten.

Dat mensen meer motivatie putten uit hun eigenbelang dan uit het publieke welzijn is wellicht inherent aan het kapitalisme, maar ik kan mij niet voorstellen dat Kelder die houding daarom toejuicht. Ik denk niet dat een mens alléén te prikkelen is met geld, en ik geloof evenmin dat Kelder dat mensbeeld wil propageren. Dus, om het eens op de man af te vragen: Jort, hoeveel heeft NRC Handelsblad voor jouw essay betaald en hoe doorslaggevend was dat honorarium voor het schrijven ervan? Ik vermoed, en hoop, dat het van minder belang was dan jouw pleidooi suggereert.

Rob Wijnberg is columnist van nrc.next.