De elfde plaats

Het ANP-bericht begon met het goede nieuws: Nederland is op de landenranglijst van het wielrennen twee plaatsen gestegen. We staan nu elfde. En dat was dan ook meteen het slechte nieuws. Elfde staan is net niet genoeg om negen coureurs te mogen afvaardigen naar de wereldkampioenschappen in Mendrisio. We moeten nu met zes. Of zullen we er optimistischer tegenaan kijken: we mogen nog altijd met zes.

Er is iets vreemds aan de hand met die landenranglijst. De punten worden door het jaar heen bij elkaar gefietst door coureurs in merkenploegen die bestaan uit een melange van nationaliteiten. Een wielrenner die als een voorbeeldig burgermannetje zijn plicht vervult tegenover de werkgever, loopt het gevaar achteraf als landverrader te worden beschouwd.

Laurens ten Dam pijnigde in de Giro benen en ballen om zijn Russische Rabo-kopman Mensjov in het roze in Rome te krijgen. Laurens verzuimde hierdoor wel puntjes te sprokkelen voor ons plaatsje in het landenklassement. Het had net het verschil kunnen maken tussen zes of negen man in Mendrisio.

Niet gehinderd door verplichtingen aan een buitenlandse kopman leek Pieter Weening in de Ronde van Polen onze eer als wielernatie te redden. Op een heldhaftige manier eindigde hij als vierde. Geplaagd door maagkrampen in de laatste etappe werd hij door zijn ploegmaten naar de finish geloodst. Maar door het krachtige optreden van de jonge en zeer getalenteerde Boasson Hagen, rijdend voor de Amerikaanse ploeg Columbia, was Noorwegen al eerder over ons heen gewipt.

Noorwegen mag met negen man naar het WK. Mooi voor Noorwegen. Het land kampt alleen met het probleem dat het nog maar zeven capabele coureurs heeft kunnen lokaliseren.

Nederland ontwikkelingsland?

De nieuwe bondscoach Leo van Vliet waarschuwde weken geleden al voor de precaire situatie. Onze goede renners dienen buitenlandse kopmannen, stelde hij. Natuurlijk had hij het over ons aller Rabo, over de spanning tussen chauvinisme en commercie. Over de spanning tussen wat gratis is, en wat ingekocht.

Maar Leo houdt de moed erin. We kunnen nu als underdog opereren. Met Gesink en Kroon staan we sterk op het loodzware parcours.

Op de internetfora wordt onze elfde plaats druk besproken. Ik tref cynisme aan. „Al stellen ze er vijftien op, het wordt toch niks.” Ik tref begrip aan: „Gewoon domme pech voor ons. Gesink is uit de Tour gevallen.” Ik tref realisme aan: „Een land met één tot twee toppers die veel punten scoren is niet per definitie een wielerland.” Ik tref commentaren op de cynici, de begripvollen en de realisten aan. De elfde plaats in de rangschikking heeft bij de wielerliefhebber in Nederland een koorts veroorzaakt.

In voor- en tegenspoed, sport is maatschappelijke voorpret. Eigenlijk is het je reinste nutsvoorziening.