Berezovski's Brahms soepel en soeverein

Klassiek Robeco Zomerconcert: Michael Guttman (viool) en Boris Berezovski (piano). Werken van Mozart, Brahms, Bach en Beethoven. Gehoord: 10/8 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 11/8 13u.

* * *

Bach kwam in 1720 terug van een lange reis, hoorde dat zijn vrouw al maanden dood en begraven was, en componeerde toen recht uit het hart een Chaconne voor de Tweede partita in d, BWV 1004. Die verklaring voor het ontstaan van zo’n beetje het beroemdste en beruchtste werk uit het solistische vioolrepertoire werd aangehaald door violist Michael Guttman, voordat hij het werk gisteren uitvoerde.

Zo’n biografisch verhaaltje is misschien wat simpel, maar toch erg aantrekkelijk – met name omdat de Chaconne een unieke en haast onmogelijke krachttour voor violisten is. Zowel technisch als emotioneel vergt het werk het uiterste, en dat gedurende een voor een ‘chaconne’ (traditioneel een dansje op een herhaalde baslijn) tot monumentale proporties opgerekte tijdspanne. Daar moet dus wel allerlei persoonlijks achter zitten, ook al beschouwde Bach zichzelf vooral als ambachtsman in dienst van, destijds, prins Leopold van Köthen en, uiteindelijk, God.

Ondanks zijn ontroerende introductie verzorgde Guttman niet de meest genuanceerde uitvoering. Hij toonde gevoel voor de interne beweging en meerstemmigheid van de muziek, maar kwam technisch tekort. Soms dekte hij dit met gespierd (maar vals) spel toe, en geregeld lukte zelfs dat niet meer en klonk een overdaad aan bijgeluiden en zakte de opgebouwde spanning onherroepelijk in.

Guttmans intonatie was tijdens het hele recital problematisch. Met pianist Boris Berezovski, in 2004 al eens te gast in de serie Meesterpianisten, speelde hij onder meer Brahms’ Derde sonate in d, op. 108, waar de intensiteit van het ontroerende ‘Adagio’ er nog het meest onder leed. In Mozarts Sonate in F, KV 377 bestond daarbij nogal wat onenigheid over plaatselijke en globale ritmes.

Berezovski bleek echter een pianist die – ook in een begeleidende rol – in zijn eentje een recital goed kan maken. Hij speelde ontspannen, soepel en soeverein. Ergens had hij zelfs tijd voor een grapje naar zijn bladomslaander zonder dat de muzikale stroom haperde. Vooral in Brahms maakte hij indruk, met een mooi parelend ‘Poco presto’ en een ‘Presto agitato’ dat emotioneel alle kanten opging en toch solide bleef.

Beethovens Sonate in D, op. 12 nr. 1 klonk – ondanks royaal dempen met het linkerpedaal – vurig en bevlogen, met een zangerig ‘Andante’ (ook één van Guttmans betere momenten) en een gedecideerd ‘Allegro’ tot besluit.