Wij zijn druk met overleven

Journaliste Femke van Zeijl werkt aan een boek over verstedelijking in Afrika.

In Nigeria zag ze hoe de urbanisering traditionele waarden beïnvloedt.

De maaltijd wordt bereid in een wijk van Ibadan, de derde stad van Nigeria wat betreft inwoneraantal. (Foto AFP)
Préparation d'un repas dans un quartier d'Ibadan, ville du sud-ouest du Nigeria, capitale de l'État d'Oyo.
AFP

Als de oude man op zijn troon in donkerrood sluiergewaad hoest, slaan zijn onderdanen die op de grond zitten zich op de borst. Zij hadden graag hun keel willen schrapen om hun koning het hoesten te besparen, willen zij daarmee aangeven. In een reusachtige zaal met laag plafond en langs twee kanten zo’n veertig stoelen in krullerige nepbarokstijl, interview ik de ‘ooni van Ife’. De man is de hoogste vertegenwoordiger van de Yoruba-god op aarde en zijn zetel is de bakermat van de traditionele Yoruba-cultuur van Zuid-Nigeria.

De afgelopen vijf weken woonde ik in Ibadan, de op twee na grootste stad van Nigeria. De Yoruba vormen de grootste bevolkingsgroep van deze stad. Ik onderzocht het effect van urbanisering op traditionele gebruiken en familiewaarden.

De Nigeriaanse samenleving is een hoogst gecodeerde, waarin respect zich vertaalt in nauw voorgeschreven gedrag. Onder de Yoruba is iedereen die ook maar één dag ouder is dan jij een autoriteit. Tijdens een begroeting van een ouder persoon werpen mannen zich volledig op de grond en gaan vrouwen op de knieën. In hedendaags Ibadan is deze begroetingsvorm verwaterd tot een schouderbeweging richting aarde voor de heren en een kniebuiging voor de dames, om aan te geven dat ze weten hoe het hoort.

Schat je iemands leeftijd verkeerd in en toon je niet de juiste mate van respect, dan klinkt al snel geïrriteerd „Verkeerde leeftijd”. Kritiek op iemand die ouder is dan jij, is uit den boze. Ouders mag je niet bekritiseren, je echtgenoot is de baas en traditionele chiefs zijn aangesteld door de koning. Hun oordeel heb je te accepteren.

Tenminste, dat vertelden de Ibadanners me in hun bijzijn. Ook nu weer bewees zich de waarde van mijn belangrijkste journalistieke gereedschap: tijd. Als ik langer aan de praat was met mensen, en vaker bij ze terugkwam, lieten ze me stukje bij beetje de werkelijkheid onder het theaterstukje zien. De zoon hekelde het gedrag van zijn analfabete moeder – in het Engels weliswaar, opdat zij het niet zou verstaan. De wijkbewoners van Ekotedo maakten de plaatselijke chief belachelijk, die in hun ogen zijn post had gekocht. En de kapster vertelde uiteindelijk hoe zij haar echtgenoot weliswaar het gevoel gaf dat hij de baas was, maar hoe zij zelf haar leven en dat van haar kinderen zo organiseerde dat ze zo min mogelijk last van hem had.

Gaandeweg kwam ik er in Ibadan achter dat ook de vele traditionele chiefs aan maatschappelijke waarde hebben ingeboet. De gemiddelde Ibadanner heeft het te druk met overleven in een stad met falende overheid, ontbrekende voorzieningen, en gebrek aan stroom en water. Hem ontbreekt de tijd om de lokale chief de vereiste respect te betonen.

„Het is ijdelheid, al die mannen die een chief-titel willen”, vertrouwde een bekende advocaat uit Ibadan me toe. „Ze hebben geen enkele macht meer, het is theater”.

Toen ik verhaalde over mijn bezoek aan de ooni van Ife, waren de reacties aanvankelijk bewonderend. Totdat ik verder ging vragen over wat ze nou echt vonden van deze hoogste vertegenwoordiger van God op aarde. Toen bleek dat in werkelijkheid niemand een hoge pet op had van de traditioneel leider.

De huidige ooni is een schatrijke zakenman die zijn fortuin vergaarde in de olie, en daarbij zaken deed met om het even welk regime, hoe gehaat ook. Bij mijn visite bood hij me champagne aan en liet de zwarte camper voorrijden die hij net uit de VS had laten overvliegen, zijn logo geborduurd in de lederen kussens op de bank. Buiten de poort van zijn paleis liep een meisje van nog geen tien geschilde sinaasappels venten. Dat de ooni baadt in weelde, terwijl zijn onderdanen in armoe verrekken, verspeelde hem het laatste restje respect dat de Nigerianen nog hadden voor het instituut.

Toch zijn niet alle tradities uit de stedelijke samenleving van Ibadan verdwenen. Wat een onuitwisbare indruk op me heeft achtergelaten, is de hartelijkheid en gastvrijheid van de Nigerianen. Voorbeelden te over van hoe iedereen me met open armen ontving.

Zo kon ik zonder problemen een nacht logeren in de tweekamerwoning van ‘tante Feiji’ en leerde er van haar dochters bonenkoekjes bakken op een kerosinebrander. Een gast iets laten betalen is ook in modern Ibadan not done. Ik heb moeten ruzie maken en listen moeten verzinnen om eindelijk eens een rekening te kunnen betalen in de kroeg of het restaurant – en dan nog lukte het vaak niet.

Maar de meeste indruk maakte de goedheid die ik ontmoette toen ik aan het eind van mijn eerste week in Ibadan ziek werd. Met een ernstige voedselvergiftiging belandde ik in Ibadan in het ziekenhuis, hondsberoerd aan het infuus. In een Afrikaans hospitaal zonder stroom kun je je behoorlijk eenzaam voelen. Dat de vrouw van de farmacologieprofessor die ik nog geen uur ervoor had ontmoet de hele nacht bij me bleef, was meer dan alleen een fantastisch gebaar. Het gaf me ook troost op een moment dat ik me even niet meer zo heel erg stoer voelde. Die onvoorwaardelijke compassie voor een wildvreemde Nederlandse journaliste met een zwakke maag is wat mij van Nigeria het meest zal bijblijven.