Van de arme bedstee naar de luxe van het hotel

Necrologie

Handel zat ‘Maup’ Caransa in het bloed. Zelfs met zijn ontvoerders wist hij in 1977 te onderhandelen.

Handelaar. Een betere omschrijving is er niet te bedenken voor de in 1916 geboren Maurits Caransa. Hij noemde zichzelf ook wel generaal, omdat hij iedere deal zag als een militaire operatie. ‘Maup’ Caransa gaat de geschiedenis in als een van de eerste succesvolle vastgoedhandelaren van Nederland. Afgelopen donderdag overleed hij op 93-jarige leeftijd.

Handel zat hem in het bloed. Toen hij vijf was, ging de kleine Maurits al mee met zijn vader, een kolenhandelaar uit Amsterdam. Als tiener begon Caransa een handeltje in auto-onderdelen. Hij kocht een wrak voor een paar euro en verkocht de onderdelen voor een veelvoud daarvan. Na de oorlog, waarin zijn ouders en drie broers stierven in concentratiekampen, stortte hij zich op de dump. Met de verkoop van afgedankte spullen van het Amerikaanse en Britse leger ontworstelde hij zich aan de armoede waarin hij opgroeide.

Hij investeerde vooral in vastgoed. Met de handel in stenen werd hij uiteindelijk multimiljonair. Zijn grootste trots was de aankoop van hotel De Doelen in Amsterdam, vertelde hij in 2000 aan Het Parool. Als de kleine Maup in de bedstee niet kon slapen, zei zijn moeder: „Ga dan maar slapen in De Doelen.” Dat stond in zijn jeugd symbool voor onbereikbare luxe. Toen hij dit hotel later zelf kocht, was dat een overwinning: „Toch niet slecht voor een jongen uit de bedstee.”

Caransa groeide in de jaren zestig en zeventig uit tot dé vastgoedbaron van Amsterdam. Hij had grote delen van het Rembrandtplein in zijn bezit. En hij was ook, al dan niet kortstondig, eigenaar van Hotel Americain aan het Leidseplein en het Amstel Hotel. De naam Caransa stond door zijn opmerkelijke deals synoniem voor succes en dat droeg hij graag uit. Volgens oud-journalist Hans Knoop bleef Caransa desondanks een open en toegankelijke man.

Dat veranderde na zijn ontvoering in 1977. Op 27 oktober van dat jaar werd Caransa na zijn gebruikelijke avondje bridge in de Amsterdam Continental Club ontvoerd. Bij het verlaten van de club duwden de ontvoerders hem in een rood autootje. Het land was in de ban van Caransa. Het was de eerste keer dat een bekende Nederlandse zakenman werd ontvoerd. Zijn bravoure heeft hij nooit verloren, maar na zijn ontvoering meed hij publiciteit, zegt Knoop, die destijds woordvoerder van de familie was. „Je kon hem overal voor vragen, als hij maar uit de schijnwerpers bleef.”

Na de betaling van 10 miljoen gulden losgeld (4,5 miljoen euro) werd hij vrijgelaten. Zelfs tijdens zijn ontvoering bleek hij een handelaar. Hij vertelde tegen De Telegraaf hoe hij met zijn ontvoerders onderhandelde over het losgeld. Zijn openingsbod was 300.000 gulden. Zijn ontvoerders vroegen 40 miljoen. Op de laatste dag ging het bijna mis toen zijn ontvoerders ruzie kregen en het bedrag weer verhoogden naar 40 miljoen gulden. „Nu geef ik het op”, zei Caransa tegen zijn ontvoerders. „Schiet me dan maar dood.”

Slechts een klein deel van de 10.000 gemerkte briefjes van duizend gulden die de ontvoerders kregen, is teruggevonden. Dat gebeurde nadat een lid van de Italiaanse maffia 480 gemerkte Caransa-duizendjes probeerde om te wisselen bij een bank in de VS. De man heeft nooit willen vertellen hoe hij aan het geld was gekomen. De ontvoering werd nooit opgelost, al claimden misdaadverslaggevers van De Telegraaf in 1981 dat ze de daders hadden gevonden, net als de plek waar Caransa zou zijn vastgehouden. De daders zijn echter nooit aangehouden.

Hoewel zijn vastgoedbedrijf al jaren wordt gerund door zijn twee kleinzoons is Caransa nooit echt met pensioen gegaan. „Ze kunnen niet zonder me”, zei hij in 2000. Het jaar voor zijn dood stond Caransa op plaats 186 in de Quote 500. Het zakenblad schatte zijn vermogen op 161 miljoen euro.