Na wat oefenen brult Zwartklip massaal 'toedoedoedoetoe'

Voicst en Lucky Fonz III zijn met steun van het ministerie van Buitenlandse Zaken op tournee in Zuid-Afrika . „Zoveel hartelijkheid kom je niet vaak tegen.”

Op de Mamodimakwana Primary School in Zwartklip staan vijftig schoolkinderen tussen de vier en veertien jaar rondom een man met gitaar. „Boys made of cola,” zingt hij flierefluitend, „girls made of wine; in theory the two of them can never intertwine.” Wild rondspringend op zijn cowboylaarzen moedigt hij de leerlingen aan om mee te dansen. De verbijstering stijgt als hij ook nog eens doodleuk „het liedje over mijn dochter” aankondigt. „Ik heb geen dochter, maar dat wil niet zeggen dat ik geen liedje over haar kan maken!”

Maar zowaar: vijf liedjes en één stroomstoring later heeft leraar Lucky Fonz III, folkzanger uit Amsterdam, de hele school in zijn broekzak. Iedereen springt op en neer in het roodbruine stof, ook de leraressen. „Ik ben heel even leraar Engels geweest’, verklaart Lucky Fonz III (echte naam: Otto Wichers) achteraf. „Lesgeven is net als optreden. Je moet overtuigen, de aandacht vasthouden en ook nog onderhoudend zijn.”

Ook Voicst weet de kinderen van Zwartklip, een township in het noordwesten van Zuid-Afrika, bij de les te houden. Als hun semi-akoestische Everyday I Work On The Road langs de golfplaten hutjes schalt, gooien jong en oud de handen en billen in de lucht. Na enig oefenen brult Zwartklip het couplet „toedoedoedoetoe” massaal mee. Tot een half uur na afloop blijven de jongsten om drummer Joppe Molenaar hangen. Om beurten hengsten ze op zijn drumstel. „Zoveel hartelijkheid kom je niet vaak tegen”, zegt zanger Tjeerd Bomhof ontroerd.

De Nederlandse muzikanten zijn deze maand samen op tournee in Zuid-Afrika. Een clubtour langs Durban, Johannesburg en Pretoria duurt nog een week. Gisteren speelden ze als een van de weinige internationale acts op het driedaagse festival Oppikoppi in Northam. Het contrast met het township-optreden van de vorige dag kan onmogelijk groter. Op nog geen tien kilometer van Zwartklip heeft roomblank Zuid-Afrika zich verzameld rondom stoffige steenheuvels. Jeugdige Afrikaners zeulen er met biertrechters waarin ze halve liters Windhoek Draught laten kolken. Mannen met baarden hebben hun afzakkende skinny jeans opgerold tot op de knieën. Straks, als ze dronken in bed rollen, doen ze dat voor één keer niet in hun met scheermesprikkeldraad en tienduizend volt beveiligde huizen. Dit weekend kamperen ze rondom de podia waar hun (veelal lokale) helden optreden. Dan is er even niet de angst die door de hoofdact van zondagavond, de opnieuw bijeengekomen punkband Fokofpolisiekar, zo treffend wordt omschreven: „Ek voel bang as ek lê, vir daai man sonder naam wat op elke drumpel van elke deurkosyn staan”. (Als ik slaap ben ik bang voor de man zonder naam die op de drempel van elke deur staat.)

De vijftienduizend bezoekers gillen op zaterdag voor Koos Kombuis. Als hij het collectieve schuldgevoel bezingt in Hoe Lank Moet Ons Nog Sorry Sê lijkt hij de Afrikaner uitvoering van Neil Young. Maar vaker klinkt hij als Bennie Jolink. Bijvoorbeeld als hij zijn grote hit Onder in my whiskyglas is jy nog aan my vas zingt vanaf twee barkrukken: één voor zichzelf en één voor zijn glas wijn.

Dan is de melancholische uithuilblues van Gert Vlok Nel geraffineerder, al wordt die overstemd door de veel te laat gekomen Malinese zanger Habib Koité die op nabijgelegen podium aan een oorverdovende goedmaker begint.

Zijn de Afrikaanstaligen ondanks het hoge ons-kent-ons-gehalte ten minste nog authentiek, dat geldt niet voor het gros van de rockbands. Of het nu Taxi Violence is, The Parlotones, Zebra & Giraffe, of welke andere gitaarband dan ook waarvoor het veld volloopt: allemaal zijn ze een samenraapsel van Coldplay, The Killers en Editors, in verschillende verhoudingen. Het lijkt een oplossing voor het probleem dat grote namen het land zelden aandoen. Van dat gebrek aan buitenlanders kunnen de Nederlanders profiteren. Vandaar dat grote posters op het terrein om de drie meter hun komst aankondigen. Mede dankzij het ministerie van Buitenlandse Zaken, die de trip én de geplande vervolgtournee volgend voorjaar voor vijftigduizend euro sponsort. Vorige jaren waren onder andere Relax, De Heideroosjes en Stuurbaard Bakkebaard te gast op het Oppikoppi festival.

„Ik weet niet hoe het hier gaat, maar ik heb altijd geleerd dat je een cadeautje moet meenemen als je ergens op bezoek komt”, zegt Voicst-zanger Bomhof zondagmiddag tegen het publiek voor het hoofdpodium. Aan het eind van de explosieve set op wordt een lading waterijsjes en opblaasbare boten, krokodillen, orka’s en haaien over het veld uitgestort. Maar anders dan op Pinkpop vorig jaar drijven de beesten niet vrolijk over het veld. Ze worden veroverd, niet meer afgegeven en soms zelfs direct naar de camping afgevoerd. De smeekbede van bassist Sven Woodside - „Let the animals free!” - is tevergeefs. Drummer Molenaar: „We wilden ze eigenlijk met een brandslang het publiek inspuiten, dan hadden ze ons zeker onthouden. Maar het bleek technisch niet mogelijk.” Bomhof is tevreden over het optreden. „We moeten er hier harder voor werken, maar aan het eind is iedereen overtuigd. Ik denk echt dat Voicst hier een grote band kan worden.”

Tegen negenen blijkt Lucky Fonz III dankzij een eerder optreden op Oppikoppi zelfs al fans te hebben. Ook de nieuwe aanwas is uiterst gevoelig voor de manier waarop hij quasinonchalant en giechelend zijn rariteitenjukebox van zeemansliederen, pianohouse en polderfolk leegschudt. Zijn Afrikaanse liedje Ek het ’n meissie, sy doen dit graag met my, waarbij de geluidsman als levende muziekstandaard de tekst omhooghoudt, blijkt een instant-klassieker.

„De mensen snappen het hier wel”, zegt Lucky Fonz Wichers. „Het is een literair land en wat ik doe is erg tekstueel. Het stoort me als mensen Zuid-Afrika alleen maar als gevaarlijk en gewelddadig zien. Het bevalt me hier. Ik wil niet alleen maar in een zeepbel leven, maar ook een rol spelen op andere plekken. Daarom tour ik zoveel mogelijk. Ik moet meer een man van de wereld worden.” Hij overweegt een verhuizing naar Johannesburg.