Hun vaders warenooit nozems met pit

De aandacht in politiek en media gaat onevenredig vaak uit naar foute Marokkanen.

Waar komt het negatieve en vijandige sentiment van deze jongens vandaan?

De Marokkaanse werkelijkheid in Nederland is weerbarstig, grillig en veelvormig. De een wordt staatssecretaris, burgemeester, parlementariër of stadsdeelvoorzitter. De ander scoort met delicten als diefstal, afpersing en heling schrikbarend hoog in de misdaadstatistieken. Die uitersten dringen de grote groep van gewone Marokkanen uit beeld: de aandacht in de politiek en de media gaat onevenredig vaak uit naar de foute Marokkanen. Waar komt het negatieve en vijandige sentiment van deze jongens tegen de buitenwereld vandaan?

Marokkanen irriteren, fascineren en intrigeren Nederland. De behoefte aan duiding is groot. Dat blijkt ook uit de stapel boeken die de afgelopen tijd verscheen over geslaagde, ontspoorde, onmachtige en opstandige Marokkanen. Of een Marokkaanse jongen crimineel wordt of niet, is afhankelijk van de opvoeding en de betrokkenheid van ouders bij hun kinderen, betoogt informant na informant in Staatssecretaris of seriecrimineel van Paul Andersson Toussaint. Om op het rechte pad te blijven, hebben Marokkaanse kinderen ouders nodig die toezicht op hen houden, hen dagelijks volgen, corrigeren en inspireren om het goede te doen en ambities te koesteren. Dat betekent dat er op cruciale momenten beslissingen moeten worden genomen: een pak rammel, verhuizen naar een betere wijk of hen inschrijven op een goede school. Maar ook talent, intelligentie en het vermogen om kansen te grijpen spelen een grote rol.

Andersson Toussaint bracht twee jaar door in Slotervaart in Amsterdam-West. In oktober 2007 speelden zich daar rellen af rondom het Allebéplein en in Overtoomse Veld. Verderop liggen het World Fashion Center, grote advocatenkantoren of de bungalowwijk waar ex-premier Wim Kok woont. Maar er zijn ook minigetto’s, allochtone enclaves zoals Overtoomse Veld, de Delflandpleinbuurt en de Staalmanpleinbuurt. In deze concentratiebuurten stapelen de problemen zich op: veel uitkeringstrekkers, lage inkomens, werkloze jongeren, werkloze vaders, relatief grote gezinnen in kleine woningen, kinderen met taalachterstand, ouders die gebrekkig Nederlands spreken, veel vroegtijdige schoolverlaters en een paar van de slechtste scholen van Amsterdam.

Andersson Toussaint poogt in gesprek te komen met ‘die honderden chagrijnige haatkoppen die je hier ziet’. Ontspoorde kinderen van ouders die zich nooit hebben laten naturaliseren en die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. Hun enige droom is zo snel mogelijk een rijbewijs halen zodat ze in een mooie, snelle auto kunnen rijden. Daarom neem je geen baan van 800 euro schoon per maand als je misschien wel 3.000 euro per week verdient met foute dingen. Maar de boze jongens willen niet praten. De enkeling die hem wel zijn mobiele nummer geeft, belt nooit terug. Hij is daardoor gedoemd om hun verhaal te laten vertellen door Marokkanen die wel deugen. Het voldoet niet aan zijn journalistieke ambitie om achter de façade van de zogenoemde ‘kut-Marokkanen’ te kijken. Andersson Toussaint woekert kundig met deze tegenvaller. Hij schetst een rijk gedocumenteerd beeld van wat er allemaal gaande is in Slotervaart. De rode draad is de onmacht van ouders om hun kinderen op te voeden, het gebrek aan sociale controle in de buurt en het foute voorbeeld dat van gedesillusioneerde vaders uitgaat die al decennia niet meer werken. Hij spaart ook de overheid niet. Criminele zonen en hun families worden gehospitaliseerd in plaats van geholpen, woningcoöperaties spreiden niet, maar concentreren probleemgezinnen en de rechtspraak faalde in de afgelopen jaren. Maar het tij is aan het keren dankzij Ahmed Marcouch, de doortastende stadsdeelvoorzitter. Hij is de spil van vernieuwing. „Je moet de problemen erkennen en de eigen gemeenschap mobiliseren om de jongens aan te pakken”, zegt hij.

In Slotervaart lopen ook meiden rond uit die andere Marokkaanse werkelijkheid. Het zijn pittige en goed van de tongriem gesneden moslima’s die neurochirurg of gynaecoloog willen worden. Ruim twintig succesvolle Marokkaanse vrouwen staan model in Van huis uit Marokkaans van islamkenner en cultureel antropologe Marjo Buitelaar. Ze sprak hen in 1998 en enkelen sprak ze tien jaar later opnieuw. Het terugkerende thema in hun levensverhalen is de noodzaak om een balans te vinden tussen autonomie – het verwerven van een zelfstandige positie in Nederland – en verbondenheid met het milieu van hun ouders.

De opwaartse mobiliteit van allochtonen is vaker onderzocht, minder bekend is hoe hoogopgeleide moslimvrouwen de islam eerder als motor dan als beperking zien voor hun integratie in Nederland. Daarin tonen de verschillen in de levensverhalen met tien jaar geleden zich het sterkst. In de eerste interviewronde lag het accent van vrijwel alle vrouwen op prestaties en persoonlijke successen. Bovendien kritiseerden ze de negatieve houding van de generatie van hun ouders jegens onderwijs voor meisjes. Ze wezen op uitspraken van de profeet Mohammed en vrouwelijke rolmodellen uit de islamgeschiedenis om te benadrukken dat hun geloof scholing, arbeid en gelijke kansen voor vrouwen voorstaat. In de tweede interviewronde vertellen ze dat ze „meer oog kregen voor de spirituele en ethische dimensies van de islam”. Het accent ligt sterker op de zin van het leven en de waarde van in vrede leven met God, jezelf en anderen.

Tegelijkertijd klagen ze over de islamofobie in Nederland. Ze voelen zich weggezet en miskend. Dat is de reden dat menigeen wilde meewerken aan het onderzoek van Buitelaar. Het geeft hun de mogelijkheid om uit te leggen dat je moslim én modern kunt zijn. Hun vroomheid staat niet op zichzelf. Het stelt hen in staat, betogen ze, om de waarden die ze aan de islam ontlenen – sociaal gedrag, eerlijkheid, oprechtheid – te verbinden met hun dagelijks leven.

Het is dezelfde problematiek die Jannie Groen en Annieke Kranenberg signaleren in Opstand der Gematigden. Door alle aandacht voor de islamitische radicalisering na de moord op Theo van Gogh eind 2004 door een moslim van eigen bodem, verdwenen de moslims uit beeld voor wie de scheiding van moskee en staat niet ter discussie staat. Ze zijn voor de verankering van seksegelijkheid in wetten en ze willen de islamitische tradities en religieuze geschriften kritisch kunnen bevragen.

Het is opvallend dat naast Iraanse vooral Marokkaanse migranten in dit boek aan het woord komen. Uit hun gelederen kwam bijvoorbeeld het initiatief voor de poldermoskee die inmiddels in Amsterdam staat. En het zijn acht succesvolle Marokkanen van tussen de dertig en veertig die NL 2023 lanceerden. Hiermee willen ze de vicieuze cirkel doorbreken van het sterk gepolariseerde islam- en integratiedebat. In de moslimgemeenschap willen ze met deskundigen van buiten discussiëren over het toekomstbeeld van Nederland.

Groen en Kranenberg stellen vast dat de gematigde moslims zich weren tegen de kaping van de islam door de fundamentalistische en extremistische moslims. Maar hun opstand is ook een protest tegen de Nederlandse samenleving die zich hierdoor op sleeptouw heeft laten nemen.

De welbespraakte, ambitieuze en betrokken mannen en vrouwen belichamen de verwevenheid van de islam met een westerse levensstijl. Ook hun vaders waren op hun manier pioniers: jonge mannen met pit, nozembroeken en wilde krullenkoppen. De periode voorafgaande aan de gezinshereniging die eind jaren zeventig op gang kwam, is op initiatief van het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten in Amsterdam opnieuw opgetekend in Marokkanen in Nederland van Annemarie Cottaar en Nadia Bouras. Aanleiding van het boek was de ondertekening op 14 mei 1969 van de wervingsovereenkomst tussen Nederland en Marokko. Cottaar en Bouras willen het beeld corrigeren dat „het enkel gaat om mannen die uit het buitenland werden gehaald om het vuile werk op te knappen”. Aan de hand van documenten blijkt dat het merendeel van de Marokkanen die uit het arme en achtergebleven noordelijke Rif-gebied komt niet officieel is geworven, maar op eigen initiatief vertrok. De kracht van de publicatie, voorzien van foto’s uit privéalbums, zit in dit soort bijstellingen van het Marokkaanse migratieverhaal. Cottaar en Bouras, geholpen door Fatiha Laouikili, prikken hardnekkige vooroordelen door. Zoals het idee dat het bij het migrantenverhaal alleen gaat om uitbuiting, onmondigheid en volgzaamheid. Het boek geeft een goed beeld van al die stappen die de Marokkaanse migranten ondernamen om hun kinderen een beter leven te kunnen geven.

De vraag die na lezing van Marokkanen in Nederland blijft hangen is: wat en waar het is misgegaan in hun leven? Hoe komt het dat deze pioniers hun foute zonen niet in het gareel kunnen houden en hun ambitieuze dochters te modern vinden? Zelf namen ze het aanvankelijk niet zo nauw met de voorschriften van de islam en dronken met plezier een pilsje mee. Inmiddels is het pak verruild voor de djellaba, ze sloffen naar de moskee en schreeuwen vanaf de bank vermaningen naar hun kinderen.

Paul Andersson Toussaint: Staatssecretaris of seriecrimineel. Het smalle pad van de Marokkaan. Bert Bakker, 248 blz. € 17,95

Marjo Buitelaar: Van huis uit Marokkaans. Over verweven loyaliteiten van hoogopgeleide migrantendochters. Bulaaq, 348 blz. € 34,50

Annemarie Cottar, Nadia Bouras en Fatiha Laouikili: Marokkanen in Nederland. Pioniers vertellen. Meulenhoff, 288 blz. €, 22,50.

Janny Groen en Annieke Kranenberg: Opstand der Gematigden. De groeiende weerbaarheid van Nederlandse moslims. Meulenhoff, 224 blz. € 16,95.