Hoed, spuug bloed!

Het Nederlands telt ruim tachtig bijnamen voor ‘politieagent'. Er zitten woorden bij die een andere tijd oproepen.

Vorige week ging het in deze rubriek over enkele bijnamen voor ‘politieagent’. Dat leverde tientallen reacties op, vooral met nuttige aanvullingen. En inderdaad, ik had slechts een greep gedaan uit de vele bijnamen die er voor ‘politieagent’ bestaan. In totaal zijn het er ruim tachtig – sommige al oud en vergeten, andere nog volop in gebruik.

Die bijnamen en synoniemen voor ‘agent’ werden vooral door twee groepen gebruikt: straatjongens en criminelen. Ze hadden, voor zover ik het nu kan overzien, twee functies: het waren scheldwoorden of het waren woorden waarmee men elkaar waarschuwde voor de komst of de aanwezigheid van een agent.

Met die bijnamen voor ‘agent’ komen we terecht in een andere tijd, een tijd dat de wijkagent een bal nog in beslag nam als jongens op straat voetbalden. Wie indertijd kattenkwaad uithaalde of zonder licht fietste, moest mee naar het bureau, bijvoorbeeld om daar strafregels te schrijven. Ik schrijf dit uit eigen ervaring, dit is mij eind jaren zestig overkomen in Den Haag.

Er heeft altijd een zekere spanning bestaan tussen de politie en de jeugd, maar ik heb de indruk dat die vroeger groter was dan nu. Zo ben ik in de jeugdherinneringen van allerlei schrijvers, vooral schrijvers die in de Randstad opgroeiden, anekdotes tegengekomen over het agentjepesten – iets wat ik zelf nooit heb gedaan of gezien. In steden als Rotterdam, Den Haag en Amsterdam kon het de patrouillerende agent overkomen dat hij stratenlang op afstand werd achtervolgd door joelende straatjongens, die bijvoorbeeld „kip, kip, kip zonder eieren!” scandeerden, dan wel „mis, kip!” of „een zwarte kip kan fietsen en een witte kip niet”.

Waarom kip? Omdat dit een van de bijnamen is voor ‘agent’. In deze betekenis is kip in 1905 voor het eerst aangetroffen, in een krantenartikel dat de bekende taalkundige F.A. Stoett in De Amsterdammer wijdde aan enkele Bargoense namen voor ‘politieagent’. „Dat nu kip, dat in het Bargoensch hond beteekent, bij ons als naam voor een agent gebezigd wordt, is niet vreemd, wanneer men aan de waakzaamheid van dat dier denkt”, aldus Stoett.

Of kip tegenwoordig nog in deze betekenis wordt gebruikt, weet ik niet, maar deze bijnaam heeft lang stand gehouden. Zo schreef een lezer: „In mijn jeugd in de jaren vijftig in Amsterdam-West werd de politie aangeduid met kip. Degene die op de uitkijk stond, riep dan ‘Kip-kip-kip-kip’ op het bekende dalende wijsje. Ging het om een politieauto, dan heette dat ‘Kip-in-blik’.”

Een agent werd ook wel latkip genoemd. Mogelijk betekent lat hier ‘lul’, schrijft de Grote Van Dale, maar Stoett wees er al in 1905 op dat lat in deze samenstelling moet worden begrepen als ‘sabel’. Agenten waren vroeger uitgerust met een sabel (ook wel lange lat genoemd) en wee je gebeente als ze die trokken, want dan werd er vaak flink op los geslagen.

Een ander rijmpje om agenten mee te pesten was: „Hoed, spuug bloed/ Zoals de waterleiding doet’’, opgetekend in 1906, toen een agent ook simpelweg hoed werd genoemd. En: „Hij is van koper, en niet van goud, / Daarom noemen ze ’m, de koperen bout.”

Welke woorden kent u voor ‘agent’? Vermeld s.v.p. waar en wanneer u deze woorden heeft leren kennen. En of er ook rijmpjes mee werden gemaakt.

Reacties naar sanders@nrc.nl