'Spelers moeten gewoon doen wat ik zeg'

De Israëlische bondscoach Gadi Kedar (49) wil met de Nederlandse basketballers naar de Europese A-divisie. „Ik ben geen tovenaar, maar we kunnen ook niets doen.”

Gadi Kedar kreeg een welgemeend advies van collega’s toen hij halverwege de jaren negentig werd aangesteld als coach van de basketballers van Hapoel Jeruzalem: stuur Dan Bingenheimer terug naar de Verenigde Staten. De talentvolle Amerikaanse speler was ongelukkig, voelde zich niet geaccepteerd in Israël en begreep zijn ploeggenoten niet. Maar Kedar nodigde Bingenheimer thuis uit, bood hem een diner aan en sprak een avond lang met hem. „Aan het eind van het gesprek zat hij te huilen” vertelt Kedar. „Vanaf dat moment wist ik dat hij alles voor me zou doen. Hij was uiteindelijk een van de belangrijkste spelers in de ploeg die dat jaar de Israëlische beker won.”

Kedar illustreert met de anekdote het nut van zijn opleidingen tot psycholoog en criminoloog in zijn loopbaan als coach. „Het helpt me mensen te begrijpen en in hun binnenste te kijken”, zegt de bondscoach van de Nederlandse basketballers na een training in Topsportcentrum Almere. „Ik denk dat de belangrijkste taak van een coach is tot het hoofd en het hart van spelers door te dringen. Ik wil dat we dezelfde geestdrift hebben, elkaar begrijpen, respecteren en op gelijkwaardig niveau communiceren. Laat ik zeggen dat ik spelers positief manipuleer, zodat ik ze het best kan coachen.”

De fanatieke coach zegt zijn spelers te beschouwen als soldaten die hij als een officier voor zich moet winnen voor ze voor hem willen vechten. Hij stelt vooral beïnvloed te zijn door de Amerikaanse succescoach Pat Riley en de Israëlische coach van Amsterdam, Arik Shivek – beiden bekend wegens hun emoties langs de speelvloer. Bij zijn komst naar Nederland was Kedar dan ook blij met de instelling van de internationals. „De spelers zijn bereid hard te werken, willen echt succes en vinden het belangrijk de sport in Nederland omhoog te helpen. Francisco Elson, Peter van Paassen en Henk Norel komen in hun vakantie onbetaald voor het Nederlands team spelen. Dat zegt iets, het maakt ze ambassadeurs.”

Sommige spelers hadden echter ook een ‘Nederlandse’ eigenschap die Kedar stoorde. „Ik legde iets uit en de reactie van een van de spelers was: ‘coach, je hebt gelijk, maar...’ Waarom dat ‘maar’? Ik houd het simpel en het is toch duidelijk wat je moet doen? Spelers moeten gewoon uitvoeren wat ik zeg, zo werkt dat nu eenmaal. In Nederland stellen spelers te veel vragen over wat ik ze opdraag. Vragen stellen is niet goed. Ik ben blij dat we dat bij enkele spelers nu al hebben kunnen veranderen.”

De aanpak van Kedar, die in eigen land als autoriteit geldt, oogst na ruim een jaar in dienst van de Nederlandse Basketball Bond (NBB) vooral lof. Van Francisco Elson – spelend in de Amerikaanse profcompetitie NBA – tot de vaste materiaalman, ze prijzen vooral de organisatie en de vernieuwde technische staf rond de ploeg die deze maand EK-kwalificatie wil afdwingen en daarna promotie naar de Europese A-divisie.

Kedar: „Professionaliteit betekent alles willen controleren: eten, drinken, rust, fysiotherapie, conditie, tests en trainingskampen. Dat soort dingen was niet normaal toen ik kwam, maar dat zou wel zo moeten zijn. Ik wil niet ’s ochtends trainen zodat de spelers ’s avonds naar hun club kunnen, maar ’s ochtends en ’s avonds zonder dat ze naar de vereniging gaan.”

Net als zijn voorgangers heeft Kedar zorgen over de bereidwilligheid van eredivisieclubs, die soms meer in hun eigen belang lijken te handelen dan dat van de sport. „De clubs zouden nog veel meer moeten samenwerken met het nationale team, vooral rond interlands in zomer- en kersttijd. We werken in dienst van het Nederlandse basketbal. Dat heeft positieve steun nodig. Nog steeds weigeren clubs soms spelers af te staan, zoals Den Bosch deed bij de basketbalweek in december met Kees Akerboom en Marcel Aarts. Wat is dan het probleem? Bescherming? Blessures? Ik vind dat clubs hun internationals zonder morren en met trots moeten laten gaan.”

Kedar zegt voor de komende interlands wel de beste spelers tot zijn beschikking te hebben, ondanks de afwezigheid van Robert Krabbendam, die een eigen trainingsprogramma volgt, Kees Akerboom (blessure) en Gerrit Brigitha en Patrick Hilliman (beiden familieomstandigheden). Dan Gadzuric, net als Elson spelend in de NBA, verkoos deze zomer zijn bruiloft boven de nationale ploeg.

Anders dan zijn kritische voorganger Marco van den Berg roemt Kedar het recente werk van de NBB, ook al is de basketbalbond nog verwikkeld in een pijnlijke dopingzaak rond de finales om het landskampioenschap tussen Amsterdam en Den Bosch. Vorige maand werden de Nederlandse mannen- en vrouwenploeg voor basketballers tot 20 jaar Europees kampioen in de B-divisie. Beide teams promoveren naar de A-divisie. Ook heeft de nationale vrouwenploeg uitzicht op promotie naar het hoogste niveau.

En dinsdag won de ploeg van Kedar achter de gesloten deuren van het Topsportcentrum met96-74 van Israël, het twaalfde Europese land op de ranglijst van wereldbasketbalbond FIBA, waarB-divisionist Nederland niet eens op voorkomt. „Ik vond het heel vreemd voor het eerst tegen mijn eigen land te spelen, maar dat gevoel was ik na een paar minuten kwijt”, zegt de coach. „Ik ben in dienst van Nederland en deed gewoon mijn werk. Ik wilde vooral goed spelen en liefst winnen. We stonden snel op achterstand, maar begonnen steeds beter te verdedigen. Voorin bleven we de punten makkelijk maken. Op een gegeven moment wilde ik alleen maar dat we niet met dertig punten verschil zouden winnen. Dat zou te veel van het goede zijn geweest.”

Glunderend nam Kedar na afloop de complimenten in ontvangst van zijn collega-bondscoach Zvi Sherf, wiens assistenten de nederlaag nauwelijks konden verkroppen. „We hebben de Israëliërs echt verrast met ons goede spel. De spelers zeiden dat ze de oude Nederlandse speelstijl gewend waren: soft, onvolwassen en niet slim genoeg. Maar wij spelen nu in een stijl die met die van Israël is te vergelijken. Dat is basketbal met slimheid, hardheid en een groot gevoel van saamhorigheid.”

Kedar is niet de enige die de Israëlische opvattingen over basketbal in Europa verspreidt. Rusland, Polen en Bulgarije hebben een Israëlische bondscoach. Een handvol trainers uit het land is werkzaam bij Europese clubteams. Kedar: „We hebben een goede naam, net als de voetbaltrainers uit Nederland. Dat komt doordat onze clubteams en het nationale team hun tekortkomingen bedekken met slimheid en discipline om bij het speelplan te blijven. We staan bekend om de goede organisatie en sterke verdediging in ploegen.”

Kedar, die voor zijn aanstelling als bondscoach eredivisieduels bezocht en clinics bezocht in Nederland, concludeert dat Nederland in potentie ook thuishoort in deA-divisie. „Maar het is makkelijker daar te blijven dan er te komen. Jullie hebben sporttalent, lengte en intelligentie. Nederland heeft echt goede basketballers, het is een kwestie ze naar boven te halen. Nu doen we het gelukkig goed in alle leeftijdscategorieën. Winnen is te leren. Ik ga er altijd van uit dat we kunnen winnen. Dat is een manier van denken die ik ook het nationale team probeer bij te brengen.”

Het selecteren van Jessey Voorn, een speler van de ploeg tot twintig jaar, was volgens Kedar ook een statement. „Ik wilde hem, zijn ploeggenoten, zijn coach en het Nederlandse basketbal laten zien dat er een lijn is tussen het nationale team en de jeugdploegen. Zij zullen het straks moeten doen.”

Kedar constateert echter dat talentvolle basketballers een achterstand hebben ten opzichte van hun Israëlische leeftijdsgenoten. „Kinderen in ploegen tot veertien of zestien jaar spenderen daar veel meer tijd aan basketbal. Hier stagneert het op de weg naar boven. Internationals als Arvin Slagter, Stefan Wessels en Brian Defares zijn in aanleg niet minder dan sommige Israëliërs die nu een miljoen euro per jaar verdienen bij een Europese topclub. Het draait om de basis, om goede opleiding. Breng het systeem uit Israël hierheen, en Nederland streeft Israël voorbij.”

Het liefst ziet hij basketbal uitgroeien tot de tweede sport van Nederland, maar de bondscoach ziet in dat gebrekkige financiën een obstakel zijn in het Nederlandse basketbal. „Ik denk dat we voor de jeugd moeten beginnen bij de coaches, maar we hebben te maken met een semiprofessionele sport. Weinig clubs kunnen fulltime-jeugdcoaches betalen. Nederland heeft goede trainers die echt willen, maar ze kunnen niet omdat er thuis ook geld moet binnenkomen. Ik kan nu ruim dertig jaar als coach rondkomen, maar anders zou ik ook wat anders moeten vinden. Geleidelijk gaat het nu beter. Clubs als Den Bosch, Bergen op Zoom en Amsterdam zijn echt met de toekomst bezig.”

Het zijn dezelfde investeringen van clubs waaraan ook zijn voorganger Van den Berg zich vastklampte, maar daar wil Kedar niets van weten. „Ik ga het gevecht echt niet aan om het gevecht”, stelt Kedar. „Ik probeer met mijn kennis en filosofie het Nederlandse basketbal te helpen. Natuurlijk ben ik geen tovenaar en kost zo’n proces tijd, maar we zouden ook niets kunnen doen.”