Op vakantie in de Middeleeuwen

Hoe proeven, ruiken en voelen de Middeleeuwen? Logeer in attractiepark Archeon en steek de haard aan met vuurslag en tondel.

De tafel is van hout en erop ligt bot; geen resten van een maaltijd, afgekloven lamskoteletjes of kippenpoten, maar kleine gepolijste stukjes; niet in één keer gepolijst, maar door vele handen op verschillende momenten. De botjes zijn bikkels, speelgoed dat tot in de twintigste eeuw veel werd gebruikt. Er ligt ook een dobbelsteentje bij, ook van bot, de getallen iets anders over de vlakken verdeeld dan tegenwoordig en zo klein als nu alleen in een reisversie. Er zijn veel van die dobbelsteentjes gevonden in beerputten, zegt Yvonne. „Dobbelen was in de Middeleeuwen vaak verboden”, zegt ze. „Als een stadswacht je snapte, dan verstopte je zo’n steentje onder je tong. En als je wat moest zeggen, dan slikte je het snel in. Waarschijnlijk zijn ze daarom zo vaak in oude wc’s gevonden.”

Yvonne draagt een hoofddoek en een lange wollen jurk. Ze is archeotolk in het Archeon, het themapark voor levende geschiedenis in Alphen aan den Rijn. Ze moet dit verhaal al honderden keren verteld hebben aan de kinderen die het park tijdens hun schoolreisje bezoeken; die in een dag drie periodes uit de Nederlandse geschiedenis aandoen: een gladiatorengevecht bijwonen bij de Romeinen, aan een hunebed bouwen in de prehistorie, leren boogschieten in de Middeleeuwen. Het contrast tussen de tolken en de bezoekers is meestal groot. Meisjes dragen geen jurken meer, laat staan lange wollen, in de schoolreisjesleeftijd dragen ook moslima’s geen hoofddoeken en voor de felle kleuren van vooral moderne regenkleding is geen middeleeuws equivalent.

Maar ik draag wel een hoofddoek, en een lange linnen jurk, een schort en een riem waar een leren buidel aan bungelt. Daarin zit de sleutel verstopt van het wevershuis, het laatste huis in de Herestrate van Gravendam, het middeleeuwse stadje in het Archeon. Drie dagen lang is dat mijn huis, of mijn hotel. Ik ben op vakantie in de Middeleeuwen. Het is in Gravendam 1350 en als ik met vuursteen, vuurslag en tondel het vuur in mijn haard aankrijg, wordt het dat voor mij ook. Als de laatste schoolkinderen aan het eind van de middag naar hun bussen zijn verdwenen, zie ik alleen nog maar wat er ook in 1350 geweest had kunnen zijn. Binnen, buiten, op mijn lichaam en aan de horizon, ik hoef niet in te zoomen om de eenentwintigste eeuw buiten te sluiten.

Archeon biedt sinds kort de mogelijkheid om in Gravendam te logeren. ‘Een week, een midweek of weekeinde terug naar het jaar 1350’, belooft de folder. De bovenverdiepingen van de middeleeuwse huizen zijn of worden verbouwd tot bescheiden hotelkamers. Geen stromend water, geen wc, wel elektriciteit, al deed die het nog niet toen ik als eerste pelgrim uit de eenentwintigste eeuw arriveerde. Ernst, de schoenmaker van Gravendam, haalt zijn schouders op. Hij brengt kaarsen naar boven. Net als een aantal andere archeotolken overnachtte Ernst al vaak in het park. Hij bereidt ook een echte middeleeuwse maaltijd. In de moestuin achter zijn schoenmakerij groeit voldoende om een soort gerst primavera te maken. Venkel, rozemarijn, uien, tuinbonen, ze gaan allemaal bij de gerst in de aardewerken pot op pootjes die in de haard staat. „Wel steeds draaien, anders blakert de pot”, waarschuwt Ernst. Als we in het wevershuis aan tafel zitten met onze houten lepels in de aanslag, dankt de schoenmaker God voor deze soppe. „Soppe was geen soep, eerder een soort pap of brij”, zegt hij tegen mij. Ten behoeve van mijn zeer eenentwintigste-eeuwse dochter vergelijk ik de soppe met risotto.

Douchen bij de Romeinen

Douchen deden ze niet in de Middeleeuwen. Wij doen het wel, in de herberg bij de Romeinen, waar ook een slaapzaal is met stapelbedden voor kinderen die een schoolreisje maken van langer dan een dag. Jurk uit en hoofddoek af, het is een opluchting; middeleeuwse kleding is zwaar. Het voelt alsof het water eeuwen weg wast. Door de prehistorie lopen we in ons middeleeuwse kloffie weer terug naar Gravendam. Plassen kan daar wel: er is een modern toilet in het klooster.

Schoenmaker Ernst wast zich wel eens middeleeuws, in de houten tobbe achter zijn huis, naast de waterput. Met een stenen kruik put hij water. Ik pluk aalbessen. Ze zijn fel rood en toch doorschijnend, als op een schilderijtje van Adriaen Coorte, geschilderd in Zeeland in de zeventiende eeuw. Toen kon je ze waarschijnlijk al zoeten met suiker, al heeft Coorte dat ondoordringbare wit nooit geschilderd. Coorte schilderde wel meer niet. De zeventiende eeuw had in zijn werk de eenentwintigste kunnen zijn; aalbessen en asperges zien er nu nog net zo uit als toen. Dat geldt iets minder voor de schaaltjes waarin hij ze laat liggen, maar met een beetje goede wil kun je die nu ook nog vinden. Een schilderij van Coorte kun je thuis zo namaken.

Coorte schilderde vrijwel alleen fruit en groente. Andere zeventiende-eeuwse meesters zijn in de eenentwintigste eeuw veel moeilijker te herkennen. De molen van Rembrandt is er nog aan de Amstel, en de Amstel zelf, maar de mensen dragen geen witte kragen meer. Ze rijden wel auto. Hoe verder je teruggaat in de tijd, des te moeilijker het wordt om afbeeldingen in het nu te plaatsen.

„The past is a foreign country”, luidt een beroemde zin uit een boek van L.P. Hartley. „They do things differently there.” Veel mensen zoeken het verleden op reis: kastelen, pittoreske dorpjes, ‘onbedorven’ landschappen, ouderwets lekker eten. Maar voor echte tijdreizen is zo’n decor niet genoeg. Je kunt ook op een andere manier proberen in het verleden te komen: boeken lezen, films kijken. Maar het ijzeren gordijn van de tijd laat zich niet zo makkelijk oplichten. Het is toch wat anders om linnen zelf tegen je borsten te voelen dan dat dat bij een actrice gebeurt. Of je zelf met behulp van vuursteen en vuurslag de haard aanmaakt of dat het beschreven wordt. In een boek ruik je de rook niet. In een film proef je het dunbier niet.

Auto’s in Gravendam

Plotseling staat er een auto tussen de schoenmakerij en het huis van de schrijnwerker in de Herestraat. Twee archeotolken laden hun spullen in. Ze gaan op vakantie. Met de auto rijden ze naar een historisch themapark in Denemarken. Ze gaan er leren bronsgieten. Veel archeotolken werken al jaren in Archeon. De een neemt het werk serieuzer dan de ander. Yvonne maakt zelf haar kleding, zo accuraat mogelijk. In eenentwintigste-eeuwse broek en trui herken ik Yvonne bijna niet. Door de hoofddoek vermoed je dat zij lang sluik haar heeft, geen korte krullen, alsof haar kapsel niet door de doek verhuld wordt, maar er een voorbode van is. Ernst blijft zelfs buiten het park in kostuum en neemt ook deel aan reenactments op andere plekken. Als gast zien mijn dochter en ik er ook uit als archeotolken, maar zonder kennis. „Zeg maar dat je ergens anders vandaan komt en op doorreis bent”, adviseert Yvonne. Dat verklaart dat we niet zoveel van de plaatselijke gewoonten weten. Het vuur in de haard in het wevershuis krijgen we niet aan onder de ogen van de bezoekers. Ik leen een kooltje uit het vuur van Ernst.

Levende geschiedenis of reenactment is een hobby die in Nederland in toenemende mate beoefend wordt. Vaak gaat het daarbij om vechten. In Amerika zijn reenactments van de Burgeroorlog heel populair. Daar bestaat zelfs een scheldwoord voor beoefenaren die het met de accuraatheid niet zo nauw nemen: wie plastic knopen aan zijn uniform heeft, is een farb. In Nederland loopt de levende geschiedenis gemoedelijk over in de fantasy. In het Archeon wordt elke zomer en winter een fair gehouden waarop ook elfen en goths te bewonderen zijn.

Als hobby heeft levende geschiedenis geen al te beste naam; vaak wordt het meewarig afgedaan als een vorm van escapisme met dezelfde status als vliegtuig spotten of modeltreinen bouwen. De Amerikaanse schrijver Tod Wodicka wist het in zijn roman All Shall Be Well; And All Shall Be Well; And All Manner of Things Shall Be Well (2007) overtuigend belachelijk te maken. Maar sommige wensen gaan de ironie voorbij, die laten zich door satire niet opzij zetten. Ook na het lezen van en lachen om All Shall Be Well wil ik nog steeds voelen hoe het is om een middeleeuwse jurk te dragen, van een middeleeuws bord te eten en in een middeleeuws bed te slapen, die hele bibelebontse berg aan indrukken, sensaties, gewaarwordingen ondergaan. Een hobby hoeft het niet te worden. Ik wil niet boogschieten, ik wil geen manden vlechten, ik wil geen schalmei leren bespelen. Ik wil door de Middeleeuwen lopen, erin zijn, erin rondspringen zoals Dagobert Duck in zijn geld. Overnachten in Archeon is voor mij dan ook een buitenkans. Meestal kun je in zo’n park alleen terecht voor een schoolreisje of met een andere grote groep. In het Historisch Openlucht Museum Eindhoven kun je niet alleen middeleeuws, maar ook prehistorisch overnachten, maar dan moet je wel met velen zijn.

Kolvend door de Herestraat

„In hoeveel slagen komen we van de staldeur naar de deur van het klooster?” Het is na vijven. Het Archeon is leeg. Ernst heeft het kolfspel tevoorschijn gehaald. Met een bovenmaatse hockeystick ramt hij een houten bal de keien over. Het spel houdt het midden tussen golf en biljart. Volgens Ernst werd het door grote groepen gespeeld en werd er flink bij gegokt. Ik ram de bal de Herestraat in. De lucht boven de rieten daken is blauw. Mijn dochter vangt in het gras voor het klooster een kikker.

Sommige dingen – rieten daken, blauwe lucht, kikkers, kasseien – hebben de Middeleeuwen overleefd. Ze zijn er nog steeds. Kun je ze dan nog authentiek noemen?

Alles is nieuw in Archeon. De houten huizen, de kannen waar het dunbier in wordt geserveerd, de kolfstick, de kolfbal, de oven waar het brood in wordt gebakken, ze gaan niet verder terug dan 1994, toen het park geopend werd. Ze zijn wel zoveel mogelijk op oudere dingen gebaseerd. De veertiende-eeuwse huizen in Gravendam zijn bijvoorbeeld replica’s van een veertiende-eeuws huis in Edam, dat nog steeds bestaat en nog steeds bewoond wordt. Maar veertiende-eeuws hout ontbreekt in Archeon. De klassieke historische sensatie waar de historicus Johan Huizinga (1872-1945) over sprak, zul je in het themapark niet kunnen vinden. Daar is immers contact met een overblijfsel uit het verleden voor nodig, of in Huizinga’s woorden: „Dit contact met het verleden, dat begeleid wordt door een volstrekte overtuiging van echtheid, waarheid, kan gewekt worden door een regel uit een oorkonde of een kroniek, door een prent, een paar klanken uit een oud lied.” Scherp zie je het verleden ook dan niet: „Voorzover het vorm aanneemt, blijft deze samengesteld en vaag: een ‘Ahnung’, evengoed van straten en huizen en velden, van klanken en van kleuren als van bewegende en bewogen mensen.”

Huizinga had waarschijnlijk niet veel op gehad met een park als Archeon. Het is niet authentiek, het is vals. Maar het is wel echte valsheid. Misschien spreekt hier een kloof tussen de tijd van Huizinga en die van mij, tussen het begin van de twintigste en van de eenentwintigste eeuw, tussen ruïne en replica.

Het verschil tussen de tijd van Huizinga en die van mij, daar moet de uitvinding van de film iets mee te maken hebben. Dankzij de kostuumfilm is het heel gewoon geworden de geschiedenis te zien alsof het nu is. En via de omweg van de film ontstaat dan weer de wens om het verleden zelf als nu te ervaren. Geen samengestelde en vage vormen, maar echte straten en huizen en velden, klanken en kleuren van bewegende en bewogen mensen. Daarin schuilt de aantrekkingskracht van Archeon. Maar de illusie is broos. Niet alleen de wens, ook de uitvoering heeft iets armetierigs, iets hopeloos. Tijdreizen blijft iets van de verbeelding. Voor veel volwassenen in Archeon is het een sport om anachronismen op te merken. Met triomfantelijke stem wijst een moeder die mee is op schoolreis op de mobiele telefoon die ze in mijn buidel ziet zitten.

De lunch op de derde dag wordt geserveerd in ons wevershuis. Het is geen middeleeuwse lunch, hij komt uit een van de restaurants van Archeon. Broodjes, kaas, een kan melk, toch zou het kunnen dat we die ook in 1350 hadden genuttigd. Door de ramen kijken schoolkinderen naar ons. Sommigen durven binnen te komen. Snel moffelen we de wel erg on-middeleeuwse onderdelen van ons noenmaal in een aardewerken kom. Ik dek de Snickers en de Danoontjes af met een linnen lap.

Wij kauwen. Zij staren. Vooral mijn dochter trekt veel bekijks. De archeotolken zijn allemaal volwassenen. Die wonen toch al in een ander land. Maar dit meisje heeft net als zij schoenmaat 32. Een jongen uit zijn verbazing: „Waren er in de Middeleeuwen ook kinderen?”