Obama's retoriek versus de schamele realiteit

Barack Obama heeft met zijn indrukwekkende optreden in het openbaar en zijn gedetailleerde kennis van een breed scala van politieke kwesties indruk gemaakt op veel Amerikanen – en zeker op de buitenwereld.

En toch dienen zich, nu de eerste betovering begint te slijten, twee vragen aan. Ten eerste: in hoeverre is de man wie tijdens de campagne voor het presidentschap het woord verandering in de mond bestorven lag, echt een man van de daad? En ten tweede: zit het Amerikaanse politieke bestel zo in elkaar dat hij daartegen, ongeacht zijn onmiskenbare talenten, altijd het onderspit zal delven?

Neem de wet op de begrenzing van de CO2-uitstoot en op de emissiehandel, die met het oog op de klimaatconferentie in Kopenhagen van cruciale betekenis is. Als een overtuigende, moedige aanpak door de Verenigde Staten uitblijft, is het onwaarschijnlijk dat de voornaamste opkomende mogendheden – India en China – akkoord zullen gaan met een zinnig compromis over emissiereductie.

Aangezien de progressiefste, best geïnformeerde, door een doortastende voorzitter geleide commissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden niets beters wist te bedenken dan een slap compromis, ziet het er voor de VN-conferentie over klimaatverandering in december van dit jaar niet geweldig uit.

Te vrezen valt nu dat hetzelfde stramien zich zal voordoen bij de hervorming van de financiële markten en van de gezondheidszorg.

In wezen komt het hierop neer: de president en zijn ploeg kondigen met veel bombarie glorieuze doelstellingen aan en oogsten daarmee veel waardering in de rest van de wereld. Die wereld is erg ingenomen dat er een goed geïnformeerd – en naar vernieuwing strevend – man in het Witte Huis zit. De Amerikanen denken er in grote lijnen net zo over. Het probleem is alleen dat niemand scherp genoeg let op het verschil tussen de heroïsche aankondiging en de schamele realiteit van wat uiteindelijk als wet wordt aangenomen.

Er zal een moment komen waarop de wereld zich afvraagt of aan dit hele proces niet een tamelijk cynisch principe ten grondslag ligt – een dubbele gok op vergeetachtigheid en/of inschikkelijkheid. De Amerikanen zien hun politiek graag verpakt in trotse verklaringen – een verlangen waaraan Obama perfect weet te voldoen. Maar ze beseffen ook dat aan het realiseren van toekomstgericht, ultramodern beleid over, zeg, energiebesparing, een prijskaartje hangt. En van die kant bezien vinden ze het eigenlijk helemaal niet erg als het Congres in feite ergens mee akkoord gaat dat wat betreft echte veranderingen – en de bijbehorende kosten – amper iets voorstelt.

Natuurlijk, ook in het verleden plachten Amerikaanse regeringen, inclusief die van president Clinton, in belangrijke kwesties als klimaatverandering terug te komen op hoogdravende beloften, waardoor de kosten om op dit op op een later tijdstip aan te pakken des te hoger zijn.

Dat strookt niet met de realiteit van het Congres, een realiteit die in verbluffende mate uiteindelijk neerkomt op beleidskeuzes die de grootste gemene deler vertegenwoordigen. Dankzij de macht van de lobbies.

De andere dimensie waarin de dubbele gok van het team van Obama op vergeetachtigheid en/of inschikkelijkheid zich manifesteert, speelt in het buitenland. Voor de keuze gesteld om enerzijds vast te houden aan het imago van Barack Obama als de moedige brenger van echte veranderingen, of anderzijds onder ogen te zien dat zijn daden het niet halen bij zijn woorden, is het buitenland geneigd zich vast te klampen aan de eerste optie.

Hoe ergerlijk die keuze ook is, de tweede optie zou pas echt deprimerend zijn. Die zou inhouden dat men onder ogen moet zien dat de veranderingen die de Amerikaanse samenleving bereid is te accepteren, niet veel voorstellen – zelfs niet als de hervormingsplannen worden gepresenteerd door iemand die volgens velen een van de begaafdste wereldpolitici sinds vele jaren is.

Aanvaarding van die realiteit zou tevens meebrengen dat men onder ogen zou moeten zien dat de Verenigde Staten een statusquomacht zijn – en geen vernieuwende factor meer.

Wat Barack Obama betreft zijn er duidelijke aanwijzingen dat hij zijn rol in hoge mate opvat als die van Gentil Organisateur, zoals de begeleiders van activiteiten in Franse Club Med-vakantieoorden genoemd worden. Anders gezegd: een beleefde of aardige organisator die tot taak heeft te zorgen dat het verblijf van de gasten – of GM’s, Gentils Membres – zo aangenaam en stimulerend mogelijk verloopt.

Dat hij ferme toespraken weet te houden, enerzijds vol vermaningen en anderzijds rijk aan oproepen tot een meer verheven toekomst, verhoogt de betovering. Waarom? Omdat zijn retoriek en zijn beeldentaal zo krachtig zijn, dat ze bijna echt aandoen.

De toespraak wordt zo als het ware een virtualrealitywereld, waarin wij een ogenblik lang op waarlijk nobele wijze alle lastige klussen aanpakken – waarna wij, door de macht waarmee het Congres en de lobbies zijn bekleed, weldra terugzweven naar een veel minder verheven werkelijkheid.

Een wereld aanvaarden waarin echte veranderingen het werk zijn van niet-Amerikanen, zal voor velen moeilijk te verkroppen zijn. En we mogen wel zeggen dat dit voor Amerikanen zowel als niet-Amerikanen een verrassing zal zijn.

Maar de kans is groot dat naarmate de aanvankelijke betovering van Obama slijt, dit het ongewenste – en onverwachte – kenmerk van zijn presidentschap zal worden. Het enige wat nog moet worden opgehelderd, is de vraag of deze ingrijpende verandering uiteindelijk het gevolg is van Obama’s zachtmoedigheid, van de overmacht van het Washingtonse systeem, of van een combinatie van beide.

Stephan Richter is uitgever en hoofdredacteur van The Globalist en hoofd van The Globalist Research Center in Washington DC