In Lagos tiert het kapitalisme in zijn zuiverste vorm

In het Nigeriaanse Lagos doet de overheid niets en is het ieder voor zich. Dat maakt het leven duur in West-Afrika’s grootste stad. Maar het geld ligt op straat.

Een collega heeft zin om uit eten te gaan. In restaurant Charrus is het fijn mensen kijken: blank en zwart hangt aan de bar tot een tafel vrijkomt. Baldadige Amerikanen van de oliemaatschappijen vertellen elkaar oorlogsverhalen over de Nigerdelta, Nigerianen knippen met hun goudgeringde vingers om nog een fles wijn. Buiten valt de avond over Lagos, de grootste stad van West-Afrika. Twee cocktails, een middelmatig diner en een fles water verder komt de rekening: 150 dollar. Terug in het hotel meldt de receptionist dat de rekening van tevoren betaald moet worden: 175 dollar. „Dat is goedkoop”, had de collega verbaasd opgemerkt. „Hoe heb je dat gevonden?”

Lagos, zeggen veel Nigerianen lachend, is kapitalisme in zijn zuiverste vorm. Hier is het ieder voor zich, want de overheid doet niets. In Lagos ligt het geld op straat. De mythe dat je in één klap rijk kunt worden, net zo rijk als de mobieletelefoonmagnaten en de cementmiljonairs, trekt jaarlijks duizenden nieuwe inwoners aan.

Vijftien miljoen mensen samengeperst op twee eilanden in een lagune met een modderige plak vasteland eromheen, daar hangt een prijskaartje aan. Op de lijst van duurste steden ter wereld voor expats komt Lagos op de dertigste plaats, ruim voor Brussel, Kairo en Miami. Vorig jaar was Lagos de duurste stad op het Afrikaanse continent, dit jaar staat de stad ingeklemd tussen Douala (Kameroen) en Abidjan (Ivoorkust). Maar expats zijn ervan overtuigd dat Lagos het hoogst scoort.

Ga eens naar de supermarkt, zegt Sarah, een Engelse managementconsultant. „Een fles melk kost 6 dollar. Als ik boodschappen doe voor iets simpels, spaghetti bolognese en sla ofzo, ben ik zo 50 dollar kwijt.” Kinderen heeft ze gelukkig niet. „De Britse school kost 14.000 dollar per jaar.”

De huur voor een appartement op de eilanden begint bij 3.000 dollar per maand, twee jaar vooruit te betalen, soms drie. Vooruitbetalen is een ijzeren regel waarop geen uitzonderingen worden gemaakt. Ook niet voor expats. Door aanslagen en kidnappings in de Nigerdelta hebben bijna alle oliebedrijven hun werknemers overgeplaatst naar Lagos, waardoor het toch al beperkte aanbod van betaalbare woonruimte nog kleiner wordt. Oliefirma’s tellen achteloos 9.000 dollar neer voor een villa waarin ze meerdere werknemers kwijt kunnen. Zo wordt de Nigeriaanse middenklasse gaandeweg van het centrum naar de buitenwijken geduwd.

Met de huur begint het pas. Alle huizen hebben een waterreservoir op het dak of een put in de tuin omdat het waterbedrijf niet in staat is drinkwater te leveren. Een generator is al helemaal onmisbaar. Meestal springt alleen ’s nachts de stroom aan, bijvoorbeeld van middernacht tot vier uur ’s ochtends, een paar keer week, als je geluk hebt. Het geklungel van het Nigeriaanse elektriciteitsbedrijf is legendarisch. Op de eilanden brommen de generatoren 24 uur per dag. Het lawaai en de uitlaatgassen neemt iedereen voor lief. Kostbaar is het wel. „Bij ons staat de huisbaas iedere week voor de deur”, zucht een Amerikaanse expat die anoniem wil blijven. „Of ik weer even 200 dollar heb voor diesel.”

Ook de Nigerianen vinden Lagos belachelijk duur. Een uit Amerika teruggekeerde columnist van de zondagskrant Next234 ging vorige maand een huis bekijken. De eigenaar vroeg 828.000 dollar voor „een onverlichte klodder cement met scheve trappen, scheuren in de muren en een ‘pimp daddy-wenteltrap”. Dat was bijna vier keer de prijs van zijn vorige huis in Dallas, Texas. „Ik ben inmiddels zo gewend aan deze krankzinnige gekte dat ik niet eens meer raar opkeek.”

De onderklasse is krakkemikkige muren en lekkende daken gewend. Meer dan 70 procent van de bevolking woont in krotten op het vasteland. Het gebrek aan bouwtoezicht leidt met angstaanjagende regelmaat tot instortende flats. Toen laatst weer eens een appartementencomplex onder de regen bezweek, kon de buurt opgelucht adem halen. Het dodental was relatief laag: de meeste bewoners waren buiten gaan zitten. „Onze etage begon altijd te schudden als het hard waaide”, zei een bewoner. „Dus als de regens kwamen, ging iedereen alvast de straat op.”

Het voordeel van het vasteland, zegt Andrew, is dat de huren lager zijn. Als bedrijfschauffeur pendelt hij zes dagen per week naar de eilanden om de oliejongens rond te rijden. Hij gaat de deur uit om half vijf, werkt van negen tot zes, en is ’s avonds tegen tienen weer thuis. Ellenlange files horen bij Lagos: het wegennet is sinds de jaren zeventig niet meer uitgebreid. Andrew zit er niet mee. Zijn huur is ‘maar’ 1.000 dollar per maand.