In Amerika is nostalgie niet revanchistisch, maar hier wel

Zowel de VS als Nederland hebben last van nostalgie naar het oude thuis. Amerika put er kracht uit, terwijl Nederland terug wil naar vroeger, meent Jan Willem Duyvendak.

Nostalgie. De oorspronkelijke Nederlander (níét de migranten) heeft er last van, ‘vroeger was het beter’, maar ook de doorsnee Amerikaan. Alleen die mist iets anders: die mist hoe het vroeger thuis was, toen ouders nog tijd voor hun kinderen hadden.

Amerikaanse vrouwen – zeker in vergelijking met Nederlandse vrouwen – zijn serieus gaan deelnemen aan betaalde arbeid. Aangezien mannen nauwelijks meer zijn gaan doen in het huishouden, heeft de vrouwenemancipatie ‘thuis’ enorm onder druk gezet. De Amerikanen leven onder permanente tijdstress: ze combineren niet alleen voltijdbanen en zorgtaken (met name de vrouwen onder hen), maar, aan de onderkant van de arbeidsmarkt, vaak ook meerdere banen; ze forenzen over grote afstanden; koppels wonen soms vanwege beider banen noodgedwongen niet meer samen; het echtscheidingspercentage heeft inmiddels de 50 procent overschreden; voor kinderen bestaat er op z’n best zoiets curieus als quality time. Er is sprake van een tijds- en een thuiscrisis in de VS.

De thuiscrisis stemt Amerikanen nostalgisch: in het verleden was er voor alles tijd. Dat family values zo populair zijn, komt dan ook vooral omdat ze zo onder druk staan. Amerika is een nostalgic nation: een land dat worstelt met een onverwerkte revolutie.

In Nederland leven we ook in nostalgische tijden, beleven we eveneens een crisis in ons ‘thuisgevoel’. Zo sterk zelfs dat het kabinet het bevorderen van thuisgevoel tot nationaal beleidsdoel heeft verheven: „Doel moet zijn een samenleving tot stand te brengen waarin iedereen zich thuis kan voelen.” (Kabinetsstandpunt WRR-rapport Identificatie met Nederland.) Bij ons heeft dit gebrek aan thuisgevoel niet of nauwelijks te maken met de genderrevolutie, maar met die andere grote sociale verandering van de laatste decennia: de toegenomen mondiale mobiliteit van mensen. Als Nederlandse politici spreken over een crisis in het ‘thuisgevoel’, refereren ze daarbij aan verkleurende buurten, toegenomen diversiteit in omgangsvormen en publieke religieuze uitingen in een overwegend seculiere maatschappij. Nederland, voorgesteld als een huis, zou worden overgenomen door vreemden die ‘ons’ gevoel van thuis verstoren. Van de weeromstuit verlangen ‘we’ terug naar de tijd dat we nog ‘onder elkaar’ waren.

Er spreekt diepe nostalgie uit zowel het Amerikaanse als het (West-)Europese debat. Thuis is niet meer wat het is geweest: niet op het individuele niveau (door de genderrevolutie), niet in de buurt en niet in de natie (door migratie en globalisering). De bekommernis om deze teloorgang van ‘thuisgevoel’ is groot in de politiek, daarmee de nostalgische blik verder voedend. Veel politici, en niet alleen populisten, menen dat we de ‘ontheemding’ van het heden kwijt kunnen raken door op zoek te gaan naar ons verleden.

Svetlana Boym, hoogleraar slavistiek en vergelijkende literatuurwetenschappen aan de universiteit van Harvard, noemt deze hang naar het verleden in haar boek The Future of Nostalgia (2001) een vorm van restorative nostalgia. Dit is een nogal wanhopig verlangen naar hoe het vroeger echt, authentiek en oorspronkelijk zou zijn geweest. Zij stelt daar reflective nostalgia tegenover, een vorm van nostalgie die onderzoekt wat de waarde van het (herinnerde) verleden voor het heden zou kunnen zijn.

Als we de nostalgische staat van Nederland en de VS vergelijken, dan lijkt het erop dat Nederland primair lijdt onder een restauratieve vorm van nostalgie, terwijl Amerika meer neigt naar een reflexieve vorm. In Nederland is de thuiscrisis mede zo diep omdat ons thuisgevoel een publieke kwestie is, waarbij we onze beleving van thuis (heaven) afhankelijk hebben gemaakt van het gedrag, de opvattingen en gevoelens van anderen. Zolang (moslim)migranten zich niet als ‘gasten’ gedragen, of niet volledig assimileren, ervaren ‘wij’ dat als aantasting van ons thuisgevoel. Nederland is één van de meest cultureel-homogene landen van Europa. We willen Nederland als één huis beschouwen waarin een eensgezinde, vooruitstrevende familie woont. In zo’n huishouden doet elk afwijkend familielid afbreuk aan ieders thuisgevoel.

In de VS wordt de vertrouwde familie ‘thuis’ weliswaar gemist, maar de vrouwenemancipatie wordt door velen ook als winst gezien. Er is dus niet alleen sprake van een verliesrekening, zoals in Nederland. Bovendien hebben de Amerikanen, en zeker de Amerikaanse vrouwen, deze verandering zelf gedragen; het is hun niet ‘overkomen’ (een sentiment dat in Nederland sterk domineert met betrekking tot de komst van migranten). Amerikanen hebben dan ook niet het idee dat ze anderen op deze veranderingen moeten aanspreken, maar primair zichzelf: willen we huis-als-thuis versterken, dan moeten we weer leren goede ouders te zijn, zo vertellen Amerikanen elkaar eindeloos in het publieke en politieke debat. In Nederland heerst daarentegen een sterk restauratief nostalgisch sentiment: alle veranderingen zijn verslechteringen geweest en we willen de oude tijden terug. Die nostalgie is revanchistisch en gebaseerd op de gedachte van oudste ‘grond’-rechten: wij waren hier het eerst. Dit zou ons het recht geven om aan anderen voor te schrijven hoe zij zich moeten gedragen; chronologie is hiërarchie. Het is ‘onze’ grond waarop ‘anderen’ zich vestigen (en zich nota bene, zo blijkt uit SCP-cijfers, ook nog thuis voelen!) en wij, de eerst gevestigden, voelen ons – mede daardoor – niet meer thuis.

Hoe kunnen wij in Nederland van een restauratieve, improductieve vorm van nostalgie naar een meer reflexieve vorm komen? In de eerste plaats door positief te benoemen welke kwaliteiten van ‘Nederland’ we de moeite waard vinden om te behouden: niet omdat ze Nederlands zijn, maar omdat het waardevolle kwaliteiten zijn. In de tweede plaats door anders naar Nederland te gaan kijken: ruimtelijker. In plaats van alles met een diachrone blik te bezien – waarin we klem zitten tussen onze afkomt en een ongewisse toekomst – kan het helpen om naar de plek van Nederland in de wereld te kijken. Dan zien we geen geïsoleerd land dat alleen kracht zou kunnen putten uit zijn verleden, maar een gebied dat op ontelbare manieren is verbonden met heel veel andere plekken. Er zijn maar weinig landen waar bijvoorbeeld zoveel goederen in- en uitstromen; waar zo’n groot deel van de bevolking wereldwijd internet; waar zo velen zo solidair zijn met zoveel anderen elders in de wereld, waar de wetenschap zo internationaal georiënteerd is en inderdaad, waar zoveel migranten wonen. En precies op dat laatste punt, de omgang met diversiteit, kunnen voorbeelden uit de VS ons mogelijk helpen. Let wel: mogelijk, want diversiteit kan ook de motor van animositeit zijn of van terugtrekgedrag, zoals de Amerikaanse socioloog Putnam heeft laten zien. Maar wat, als we de condities weten te creëren waarin mensen beter met (bepaalde) verschillen kunnen omgaan?

Recent onderzoek van de Amerikaanse sociologen Mollenkopf, Kasinitz en Waters wijst uit dat immigranten van de tweede generatie het in New York overwegend goed doen, mede omdat ze leven in een omgeving die diversiteit waardeert.

Waardeert in de dubbele zin van het woord: in de zin van evalueren (verschillen laten anderen dus niet onverschillig) én appreciëren, tenminste als deze verschillen van waarde blijken te zijn. Iedereen brengt daarbij zijn of haar geschiedenis mee. Van niemand wordt gevraagd om die zomaar te vergeten, maar van iedereen wordt gevraagd om zich reflexief tot het eigen verleden te verhouden. Wanneer heeft iets ‘ouds’ betekenis op de nieuwe plek, wanneer niet? Wanneer helpen goederen, mensen en beelden van de plaats van herkomst bij het zich gaan thuis voelen op de plaats van aankomst; wanneer vormen zij daarvoor een hindernis? Nostalgie is niet noodzakelijk ballast; het verleden kan ook bagage zijn voor de toekomst.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar algemene sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.