'Gravin word je niet, dat ben je'

Gravin Leïla de Marchant et d’Ansembourg (33) ontvangt tegen betaling bezoekers om haar kasteel te kunnen onderhouden. ‘Als ik bij toeval een lieve man vind die ook nog rijk is, ga ik niet klagen.’

Was u niet liever in 1876 geboren, in plaats van in 1976?

„Ja, dat had beter bij mij gepast. Ik ben heel klassiek. Misschien heb ik te veel Engelse romans gelezen – Jane Austen, Thomas Hardy. Maar ik denk dat mijn leven in die tijd vanzelfsprekender was geweest. Je hoefde niet te kiezen voor werk, voor een carrière. Ik heb er geen bezwaar tegen dat die keuze er nu wel is. Maar ik had hem net zo lief niet gehad.”

Zo was u als kind al?

„Dat kan ik niet goed zeggen. Toen ik klein was, leefde ik ook veel in boeken – Franse romans die zich afspeelden in adellijke kringen. Maar om te zeggen dat ik me daar toen mee identificeerde...”

Andere meisjes dromen dat ze prinses zijn. U was gravin.

„Dat besef je niet als je klein bent. Je bent zo geboren. Professor of zo, dat word je. Gravin ben je. En als ik las over gravinnen met vijf bedienden of nog meer – dat was niet mijn leven. Wel: de ooms en tantes, de nichtjes en neven die altijd op bezoek kwamen, de buren in het andere kasteel die ons voor de lunch uitnodigden. En dan kwamen zij weer bij ons voor de thee.”

Dat maakt u nog steeds het gelukkigst?

„Ja. En als ik nu hier terug kom van vakantie, heb ik het zalige gevoel van: thuis. Dit ben ik. Hier hoor ik.”

Leïla de Marchant et d’Ansembourg besloot in december 2006 om haar werk als lobbyist in Wenen op te geven en in Kasteel Amstenrade te gaan wonen, het huis van haar voorouders, gebouwd rond 1350 – toen was het niet meer dan een versterkte toren – en opnieuw opgetrokken in 1788, in neoclassicistische stijl. Het ligt aan de rand van het dorp Amstenrade, tussen Heerlen en Sittard, in Zuid-Limburg.

Rondom het kasteel: een oranjerie, een Engelse landschapstuin, een boerderij, een neogotisch kerkje – Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen – en een landgoed met holle weggetjes langs akkers met mais en tarwe, omzoomd door korenbloemen. Naar het oosten aan de horizon: galerijflats. Naar het westen: de fabrieken van Sabic en DSM.

De provincie Limburg wil hier over twee jaar beginnen met de aanleg van de zogenaamde Buitenring, een vierbaansweg die Brunssum moet verbinden met de rest van Regio Parkstad. De oprit zal langs de tuin lopen, de buitenring zelf dwars door het landgoed.

Leïla d’Ansembourg is van plan zich ertegen te verzetten tot aan de Raad van State.

En dan moet er ook nog genoeg geld zijn om het kasteel in stand te houden en zelf te kunnen leven. Daarom laat ze mensen tegen betaling bij haar binnen komen, zodat ze de zalen en salons vol houtsnijwerk en met engelen beschilderde plafonds kunnen zien. Mensen kunnen ook in haar kasteel komen dineren. Ze kunnen er trouwen.

Wat bezielt haar?

Haar zwarte haren, met een enkele grijze ertussen, draagt ze in een wrong laag in haar nek. Ze heeft een enkellange strokenrok aan met daarop een bloesje in geel, roze en turquoise. Als ze lacht – en ze lacht veel – heeft ze kuiltjes in haar wangen. Haar Nederlands klinkt Frans, de taal van moeder. Ze is vriendelijk en beleefd, ook als de vragen haar niet bevallen.

Vragen over haar grootvader bijvoorbeeld, Max de Marchant et d’Ansembourg, burgemeester van Amstenrade. In 1933 sloot hij zich aan bij de NSB en zat in de Eerste en Tweede Kamer. In de oorlog benoemden de Duitsers hem tot commissaris der provincie, zoals dat toen heette. In 1946 werd hij veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf.

„Ik begrijp wel dat u er meer van wilt weten”, zegt Leïla d’Ansembourg. „Maar ik vind het vervelend dat journalisten er telkens weer op terugkomen. Alsof we niet 65 jaar verder zijn. Ik ben niet mijn grootvader en mijn familie is ook niet mijn grootvader. Wij hebben onze eigen identiteit.”

Hij overleed in 1975. Haar grootmoeder, Myriam von Fürstenberg, overleed in juni 2006, 97 jaar oud. „Ze was een heel mooie vrouw, in beide betekenissen van het woord”, zegt Leïla d’Ansembourg. „Intelligent, familiegevoelig, vredelievend.”

Was ze uw voorbeeld?

„Jawel, maar ik weet niet of ik het kan volgen.”

Ze had geen gemakkelijk leven.

„Maar ze hield veel van haar man en dat was haar sterkte.”

Myriam von Fürstenberg was de grootmoeder bij wie Leïla d’Ansembourg met heel veel familie vroeger de zomers doorbracht en Kerstmis vierde. Al ging ze, met haar ouders en haar twee zusjes, ook naar haar andere grootmoeder, die in België in een kasteel woonde. Kasteel Amstenrade was: verstoppertje spelen, Suske en Wiske lezen, Vrouwtje Theelepel kijken op de televisie.

Haar vader, Lambert de Marchant et d’Ansembourg, was diplomaat. Dus werd ze in Frankrijk geboren, zat ze in Den Haag op de kleuterschool en ging ze in Dakar, Senegal, naar de basisschool. Op haar tiende verhuisde ze naar Praag, in het toenmalige Tsjecho-Slowakije. „Van dertig graden naar min vijfentwintig”, zegt ze. „Ik moest dichte schoenen aan. Ik rende naar buiten en gleed uit in de sneeuw.”

Dat was in 1986, drie jaar voor de val van het communisme.

„Mijn zusjes en ik moesten vaak met mijn ouders mee om een wandeling te maken, ik begreep pas veel later waarom. Buiten konden ze met elkaar praten, daar waren geen microfoons.”

Als diplomatendochter leerde ze dat ze respect moest hebben voor het land waar ze woonde, met politiek mocht ze zich niet bemoeien. Toen ze een keer had meegedaan aan een demonstratie tegen de geheime politie, was ze banger voor haar vader dan voor de politie. Ze durft het nu te vertellen omdat haar vader niet meer leeft.

Ze vertelt ook dat ze de chauffeur van haar vader vroeg om te toeteren als ze langs het parlement reden – tijdens de revolutie deed iedereen dat. Maar de chauffeur mocht dat niet. Ze klom over de leuning van de voorbank om zelf te toeteren.

Ze herinnert zich de Trabantjes waarin mensen uit het hele Oostblok naar Praag kwamen, met alles wat ze konden meenemen. Toen ze hoorden dat er een trein naar West-Duitsland ging, lieten ze die Trabantjes met al hun spullen erin achter.

Op haar vijftiende ging ze naar Zweden, waar niemand geïnteresseerd was in wat zij had gezien. „Ik paste me aan. Ik leerde Zweeds en ik ging MTV kijken. Mijn vader riep: Leïla, zet dat uit. Mijn zusjes en ik zeiden dat we het nodig hadden om op school mee te kunnen praten. Hij las toch ook altijd vier of vijf kranten om mee te kunnen praten op cocktails.”

Ze wilde eerst in Nederland een opleiding tot tolk of vertaler gaan doen, maar haar Nederlands was niet goed genoeg. Ze voelde zich ook te veel een buitenbeentje. Het werd Parijs, waar ze toegepaste talen studeerde, Duits en Zweeds. „Ik had college in de Sorbonne en het Grand Palais”, zegt ze. „Dat was geluk.”

Waarom geluk?

„Omdat het zo’n mooi gebouw is. Ik vind het belangrijk om me met mooie dingen te omgeven. Ik was niet graag iedere dag naar Clignancourt gegaan, ver weg met de metro, lelijk en vies.”

Ze is vernoemd naar Leïla de Dampierre, een schrijfster en dichteres uit de Libanese tak van de familie. Haar moeder is Andrée de Romanet de Beaune, die haar tijd verdeelt tussen haar drie dochters en nu in kasteel Amstenrade is. Een slanke vrouw in een spijkerbroek, sigaret in de ene hand, glas ginger ale in de andere. Ze heeft een vriendin uit Senegal te logeren.

De eerste baan van Leïla d’Ansembourg was in Senegal: bij UNIDO, VN-organisatie voor industriële ontwikkeling. Daarna richtte ze samen met een collega de World Youth Alliance-Europe op om jongeren te betrekken bij de Europese politiek. Dat was in Brussel. Daarna ging ze een maand naar de Filippijnen om een nichtje te helpen met haar baby. Dat nichtje was daar omdat haar man er werkte.

Wist u wel wat u wilde?

„Nee, niet zo. Ik ben nooit zo geïnteresseerd geweest in wat ik wilde worden. Iemand die dokter wil worden, gaat studeren en dan wordt hij dokter, cardioloog of zo. En een boekhouder blijft een boekhouder. Hun leven is zeker. Maar ik ben er niet jaloers op. Ik leefde graag het leven dat ik leefde. Misschien was het de onrust van een diplomatendochter, gewend om elke vier jaar opnieuw te beginnen.”

Daarna vroeg weer een andere vriendin haar om naar Wenen te komen, voor Europe for Christ. Dat is een organisatie die christenen helpt om argumenten te bedenken, onder andere tegen embryonaal stamcelonderzoek en abortus. Leïla d’Ansembourg is katholiek.

Ze vond het er heerlijk. „Parijs vond ik eigenlijk te groot, Brussel te klein, maar Wenen was helemaal goed.” Toch nam ze in die tijd het besluit om in Amstenrade te gaan wonen. Ze was er met Kerstmis, haar vader leefde nog, hij had haar gevraagd om nog wat langer te blijven. Opeens, zegt ze, wist ze dat ze niet meer weg zou gaan.

Waarom was dat?

„Dat is moeilijk te uit te leggen. Het gaf me een gevuld gevoel. Daarna was er ook twijfel. Kan ik het wel aan? Hoe is de relatie met mijn vader? Je gaat weer thuis wonen. Maar vooral: je gaat van Wenen naar Amstenrade. Toch wilde ik het. Daarom zeg ik ook wel: een roeping.”

Of was het uw vader die wilde dat u in zijn voetsporen zou treden?

„Impliciet heeft hij me dat altijd wel laten weten, ja. Iemand moest het later van hem overnemen. Het was altijd: jij krijgt Amstenrade. Ik ben de oudste dochter.”

Lijkt u op uw vader?

„Ik denk het wel. Hij was bossy, Germaans, in de zin van: dingen goed en degelijk willen doen. Hij wilde ook graag een goede vader zijn, geduldig en met humor. En hij had een sterk ontwikkeld familiegevoel.”

Een week later, in het volgende gesprek, zegt ze dat ze het aan haar jongste zusje heeft gevraagd of zij ook vindt dat ze op haar vader lijkt. „Ze zei: ja.”

In februari 2007 overleed haar vader, onverwacht, aan de gevolgen van een longembolie. Toen stond Leïla d’Ansembourg er alleen voor. Ze wist bijna niets van het kasteel – niet waar de hoofdkraan van de waterleiding zat, niet hoe ze verzekerd was of wat de boerderij aan pacht opbracht en wat haar inkomsten en uitgaven waren. Een kasteel is in de eerste plaats een bedrijf.

Ze werd geholpen door haar moeder, haar zusjes, ooms, vrienden van haar vader, de rentmeester. Het eerste anderhalf jaar, zegt ze, viel ze elke avond halfdood op bed.

Ze wist heel goed wat Amstenrade allemaal niet moest worden: geen horecagelegenheid, geen museum, geen plek waar mensen hun overledenen kunnen opbaren om in een mooie omgeving afscheid van hen te kunnen nemen. Dat was een idee van een Limburgse investeringsbank: in tijden van vergrijzing is de dood een groeimarkt.

Maar dus wel: rondleidingen met thee en vlaai na, huwelijksfeesten, diners voor zakenmensen uit de buurt en graag ook uit het westen, uit Amsterdam en Rotterdam. Dan laat ze een chique cateraar komen en als mensen het willen – en de meesten willen het – komt zij ook aan tafel.

Als wie?

„Als gravin. Ik doe mijn mooiste juwelen aan.”

Hoe voelt dat?

„Goed.” Ze lacht. „Zij vinden het leuk om een gravin te zien. Ik vind het leuk om mensen met geld te zien.”

Ze gaat voor naar de zaal waar de diners zijn. Hier en daar bladdert de verf van het plafond, maar de parketvloer moet eerst gerestaureerd worden. Dik eiken, in sterren gelegd. De goedkoopste offerte is 113.000 euro. Ze zegt: „Ik had een vriendin die op uitnodigingen schreef dat we bij haar geen spitse hakken mochten dragen. Ik vond dat zo bourgeois. Nu begrijp ik het. Bij het eerste diner was een vrouw op stilettohakken, ik kon zien waar ze gelopen had. Links, rechts, overal putten.”

Dus nu schrijft u dat ook?

„Nee. Ik heb besloten dat dit een huis is waar normaal in geleefd moet kunnen worden.”

En dan er is de verwarmingsketel, die in de winter 100 euro verstookt om het in één salon een uur lang min of meer aangenaam te maken. Die moet ook vervangen worden.

Maar nieuwe toiletten zijn er al, met marmeren vloeren en glanzend rood geverfde wanden. En er zullen ook nieuwe badkamers komen, boven, bij iedere slaapkamer één. Kunnen de zakenmensen uit Amsterdam en Rotterdam ook blijven slapen.

Ze zegt: „Met dit kasteel is het zoals met de talenten die je krijgt. Ik had kunnen besluiten om alles te verkopen en met de opbrengst een aangename villa te laten bouwen. Ik heb besloten om er iets mee te doen en te proberen iets terug te geven.”

Teruggeven aan wie?

„Aan mezelf en aan iedereen die voor mij de offers heeft gebracht.”

Offers?

„Om van Amstenrade te maken wat het is en om het zo te houden. Het betekent een leven waarin je niet zo maar kunt doen wat je wilt, niet wekenlang van huis kunt gaan als je daar zin in hebt, en je geen jacht of zo kunt kopen.”

Van wie of wat moet dat dan?

„Het klinkt als blablabla wat ik nu ga zeggen, maar kasteel Amstenrade is cultureel erfgoed en ik voel het als een opdracht om het niet verloren te laten gaan. Als ik het verkoop, is het weg. Dan wordt het een hotel of een museum, waarin de geschiedenis bevroren wordt. Het leeft niet meer. Nu leeft het wel. Ik zit hier met mijn laptop op mijn versleten bank, maar wat maakt dat uit? Ik woon hier. De geschiedenis gaat hier door. Dit is echt.”

En dat wilt u met andere mensen delen?

„Ja. Hier kunnen ze zien hoe het is om in een kasteel te leven.”

Wilt u dat echt of moet u wel?

„Ik wil het echt en ik krijg er veel voor terug. Ik heb maar één keer gehad dat hier vervelende mensen kwamen. Ze kwamen te laat, ze waren moe en ongeïnteresseerd, het diner moest worden ingekort. Alle andere keren waren mensen zeer enthousiast. Door hen kijk ik ook met nieuwe ogen naar mijn huis, naar de schilderijen, de tuin, alles.”

Wat zou uw grootmoeder ervan gevonden hebben?

„Zij was een grote dame. Ze zou hebben ingezien dat de tijden veranderd zijn en dat het zo goed is.”

Ze laat de boiserie-salon (met houten lambriseringen) zien die naast de zaal ligt waar de diners zijn en waar ook getrouwd kan worden. „De vloer hier is fantastisch om op de dansen”, zegt ze. „Splendid. Als hier feesten zijn, leeft het huis weer zoals het vroeger was. De tafels prachtig gedekt, mensen in hun elegantste kleren. Zo moet het zijn.”

Ze nodigt ook graag haar zusjes uit, de middelste is getrouwd. Nichtjes en neven, of achternichtjes en achterneven, ze zijn altijd welkom, net als in de tijd van haar grootmoeder. Op haar beurt kan zij altijd bij iedereen terecht, over de hele wereld.

Wilt u zelf niet trouwen?

„Jawel, maar ik moet nog even iemand vinden.”

Ze wijst naar het witte Playmobilpaardje met prins dat op de schoorsteenmantel staat, met daarbij een witte roos. Ze kreeg het toegestuurd van een man die haar een voorstel deed voor een date.

Hij was niet geschikt?

„Nee, haha. Ik zei tegen hem: als ik nou echt heel erg wanhopig word… Het was heel romantisch, maar zo werkt het niet.”

Een rijke man zou handig zijn.

„Maar geld is niet alles. Er zijn zakenmannen met veel geld die wel weten hoe ze het hier zouden aanpakken. Dit verkopen, dat veranderen. Ik zoek een man die begrijpt waarom ik hier wil wonen, wat de geschiedenis van dit huis is en die niet over verkopen begint. Maar als ik bij toeval een lieve man vind die ook nog rijk is, ga ik niet klagen.”

Het liefst iemand uit uw eigen kringen?

„Ja. Het huwelijk is toch al niet gemakkelijk. Het gaat beter met iemand die de geschiedenis met mij kan delen.”

Uw vader had vast nog graag uw huwelijk bijgewoond.

„Hij was verbaasd dat het niet gebeurde. Maar dat zei hij niet tegen mij.”

Ze wil nog wat over de Buitenring zeggen: hoe erg ze het vond toen ze zag welk tracé de provincie had gekozen, ze had gehuild, dit maakte het erfgoed kapot, en waarom? Mensen in het dorp hebben posters achter hun ramen geplakt: Buitenring nee.

Leïla d’Ansembourg begint over Scarlett O’Hara, de hoofdpersoon uit Gejaagd door de Wind. In de Amerikaanse burgeroorlog raakt ze haar man, haar minnaar en haar kind kwijt. Ze vecht voor het behoud van haar grond, waarop ze katoen verbouwt. Zonder land geen bedrijf en geen bestaan.