Een chip voor de rekendip

Deze zomer bespreekt een panel Dr Zeepaard elke week een vraag.Vandaag: wil je een chip in je hoofd?

Getver, een chip in je hoofd. En hoe moet dat ding er dan in? Narjiss Basalah (11), Abdoelkarim Azar (11) en Rik (10) en Ella (8) van Leeuwen uit Rotterdam zitten rond de tafel. Zou je een chip in je hoofd willen hebben, was de vraag.

Narjiss: “Met een chip in je hoofd, word je een soort robot. Dan ben je hetzelfde als een ander. Dat lijkt me erg saai.”

Rik: “Een chip hoeft niet je hele leven over te nemen, je kunt er ook alleen informatie opzetten. Zoals op een computer. Dingen die je op school moet leren. Dat hoeft dan niet meer.”

Ella: “Maar dat moet je gewoon op school leren, anders gaat de school failliet.”

Abdoelkarim: “Ik vind taal makkelijk, maar rekenen moeilijk. Vooral in het begin van het jaar had ik een rekendip. Een rekenchipje in mijn hoofd...”

Ella: “Maar je moet het toch zelf leren, want stel dat de chip kapot gaat. Dat je een stroomstoring krijgt, of kortsluiting. Dan gaat je haar zo recht omhoog staan. En ben je ook je rekenkennis kwijt.”

Rik: “Als ik een chip in mijn hoofd zou hebben, zou ik er spelletjes opzetten. En dan doe je je ogen dicht en kan je ze aan de binnenkant van je oogleden spelen.”

Abdoelkarim: “En als je dan: volume harder dénkt, dan gaat het volume harder.”

Rik wordt enthousiast: “Ik zou een chip willen die van mij een videocamera maakt, met mijn ogen als lenzen. Alles wat je ziet, wordt gefilmd en opgeslagen op die chip. Dan kan je dat later altijd terugspoelen.”

Ella: “Ik zou wel een geheugenschijf in mijn hoofd willen, waar alles op staat dat ik geleerd heb. Zodat je het niet meer kan vergeten.”

Ze denkt even na. “Maar dan zou ik het wel prettig vinden om het vanaf die chip te kunnen uitprinten. Als ik iets moois bedacht heb.”

Rik, nog enthousiaster: “Misschien kan je dan een soort uitvinders-chip in je hoofd zitten, die je helpt om dingen uit te vinden, die nog niet bestaan. Zoals... eh.”

“Zouden anderen je altijd kunnen vinden als je een chip in je hoofd hebt?”, vraagt Narjiss zich af.

Abdoelkarim denkt van wel.

Narjiss: “Mijn moeder zou dat misschien prettig vinden, maar ik vind het een raar idee.”

Abdoelkarim: “Mijn moeder is eigenlijk nooit ongerust. Ik heb altijd een telefoon bij me en ga altijd naar hetzelfde pleintje om te voetballen.”

Rik: “Mijn moeder is ook nooit ongerust. Behalve gisteren dan. Toen was ik te laat thuis uit het zwembad.”

Narjiss: “Ik heb die chip niet echt nodig. Op school gaat het heel goed, met de entreetoets was ik de beste van de klas.”

Ella: “Ik heb ook geen chip nodig, ik heb misschien wel een IQ van 130.”

Narjiss: “Moet je wetenschapper worden.”

Ella: “Ik word rechercheur. Ze denkt even na en zegt dan: “Ik zou wél een chip willen waarmee ik heel hard kan lopen.”

Abdoelkarim: “Die chip moet dan in je voeten.”

Narjiss: “Ik besta liever zonder chip. Dan ben je tenminste jezelf. Zelfs als je dan fouten maakt. Je moet soms fouten maken in je leven.”

Abdel: “Daarvan kan je leren.”

Narjiss: “Niemand is perfect, dat zou saai zijn.”

Abdel: “Ik zou best perfect willen zijn, maar het kan niet.”