Debat over salaris politici is vooral waardeoordeel

Moeten politici beter worden beloond dan gewone burgers? Het debat verhit al bijna eeuw de gemoederen in de Kamer.

Door het aanhoudende geschreeuw van de parlementariërs kon het debat in de Tweede Kamer onmogelijk worden voorgezet.

Het thema van dit uit de hand gelopen debat: de onkostenvergoeding van de parlementariërs zelf. Het tijdstip: november 1916.

Het liep mis na de bijdrage van Boudewijn Nierstrasz, directeur van een stoomvaartmaatschappij en Kamerlid namens de Bond van Vrije Liberalen.

De Kamervoorzitter staakte het debat voor de rest van de dag. De wanorde in de zaal was te groot om nog ordentelijk van gedachten te kunnen wisselen. Afgevaardigde Pieter Jelles Troelstra van de SDAP stond schreeuwend op een bank.

Ook bijna honderd jaar later tonen Kamerleden vaak grote verontwaardiging als het om de eigen arbeidsomstandigheden gaat. Zo stuurde Ronald van Raak (SP) vorige week een initiatiefwetsvoorstel over de beloning van Kamerleden naar de Raad van State met de mededeling dat de huidige regeling „je reinste zelfverrijking” is.

Maar de verontwaardiging van de Van Raak steekt mager af bij die in het debat 93 jaar geleden. Nierstrasz wist toen met zijn argumenten tegen een door premier Cort van der Linden voorgestelde verhoging van de schadeloosstelling voor volksvertegenwoordigers, bijna al zijn collega’s te beledigen.

Wat had hij gezegd? Een verhoging zou leiden, zo waarschuwde de voormalig marineofficier, tot „beroepspolitici”, onwenselijke typen die niets anders doen dan politiek bedrijven om de politiek. Het land heeft onafhankelijk operende „mannen van zaken” nodig, zei hij, geen afgevaardigden „die zich vastklampen aan hun mandaat als middel van bestaan”. Immers: zij die afhankelijk zijn van het inkomen dat ze in de politiek vergaren, zijn niet te vertrouwen. Zij mijden beslissingen die kunnen leiden tot verkiezingen. Want wie stemt er voor het mogelijk verlies van zijn eigen baan?

Het is een oud argument. Minstens zo oud als de democratie in Athene, waar alleen financieel onafhankelijke burgers het passief stemrecht genoten. In de huidige discussie over de arbeidsvoorwaarden van politici, die vorige week werd aangezwengeld door het initiatiefwetsvoorstel van Van Raak, komt het argument wel voor, maar dan vervormd.

[Vervolg Beroepspolitici: pagina 2]

Zonder vangnet geen politici

[Vervolg Beroepspolitici van pagina 1]

Het argument dat je niemand voor het schrappen van zijn baan zou stemmen, wordt aangevoerd juist ter verdediging van de bijzondere sociale voorzieningen voor politici. Die zijn rianter dan die voor ‘gewone’ rijksambtenaren. Kamerleden hoeven niet te solliciteren en vallen onder een royale wachtgeldregeling: maximaal zes jaar op basis van 70 procent van de schadeloosstelling.

Het afbreukrisico van het vak rechtvaardigde lange tijd dit verschil. Te weinig gekwalificeerde burgers zijn bereid, zo is de redenering, om een maatschappelijke carrière op te geven voor een onzeker avontuur in de politiek als er geen goed vangnet is gespannen. Bovendien is het in een democratie wenselijk dat een politicus zijn eigen positie ter discussie kan stellen. Goede sociale voorzieningen zijn daarbij een voorwaarde.

Maar die opvatting lijkt onder politici snel aan steun te verliezen. Kamerleden die niet met vakantie waren, tuimelden de afgelopen weken over elkaar heen om geld in te leveren.

SP’er Ronald van Raak, die voor een volledige normalisatie van de voorzieningen voor Kamerleden pleit, sprak van „zakkenvullerij”. Een paar dagen later breidde Tweede Kamerlid Charlie Aptroot (VVD) het offensief zelfs uit tot het salaris van de ambtelijke medewerkers van de Tweede Kamer.

Los van het plan van Van Raak is er al een wetsvoorstel van het kabinet dat de wachtgeldregeling terugbrengt tot vier jaar en dat ook voorziet in een sollicitatieplicht, zij het minder streng dan bij Van Raak. Het kabinet besloot ook de ministerssalarissen voorlopig niet te verhogen, anders dan een commissie onder leiding van oud-minister Hans Dijkstal (VVD) vijf jaar eerder had geadviseerd.

Dijkstal pleitte toen voor een verhoging van 50 procent, tot 215.000 euro bruto per jaar. Het vorige kabinet bracht dat al terug tot 30 procent. Dit kabinet ziet ook daar van af. Het heeft de beslissing uitgesteld tot een moment dat ze politiek wel opportuun is.

Het ziet er niet naar uit dat zo’n moment snel komt. Nederland kampt met een economische crisis. Politici gieten nu de weerzin tegen de eigen vergoeding in dezelfde retoriek als de strijd tegen de beloningen in de semipublieke en private sector.

Toch is er een verschil: de kille cijfers per persoon. Bankier Rijkman Groenink verspeelde zijn laatste krediet in de publieke opinie toen bekend werd dat ABN Amro hem bij zijn vertrek 26 miljoen meegaf. In het afgelopen jaar bedroeg het totale bedrag dat alle voormalig bewindslieden aan wachtgeld ontvingen nog geen miljoen euro. Voormalige Kamerleden waren goed voor bijna vier miljoen.

Dat bedrag wordt kleiner als de Kamer akkoord gaat met de plannen van het kabinet. En nog kleiner als de SP’er Van Raak zijn initiatiefwetsvoorstel door beide Kamers van de Staten-Generaal weet te loodsen.

De in 1916 zo omstreden liberale parlementariër Nierstrasz zou vermoedelijk met genoegen kennis hebben genomen van de richting die het debat in de Kamer nu opgaat, al klinkt tegenwoordig slechts een echo door van zijn argument van een eeuw geleden dat persoonlijke financiële overwegingen geen rol mogen spelen in het doen en laten van politici.

Bovendien beroepen niet de voorstanders van versobering, maar juist de tegenstanders daarvan zich op het argument van Nierstrasz: goede arbeidsvoorzieningen als voorwaarde voor politieke onafhankelijkheid.

Die tegenstanders van versobering opereren nu in relatieve stilte. Dat is een groot contrast met hun historische geestverwanten: de volksvertegenwoordigers die in 1916 pleitten voor een verhoging van de onkostenvergoeding van Kamerleden.

Eén van hen, de sociaal-democraat Troelstra, wist toen in november 1916 met zijn stem boven alle opwinding van het debat uit te komen. De SDAP-voorman riep, zelf diep beledigd, Nierstrasz toe dat hij het recht had verspeeld om over „idealen” te spreken. Om vervolgens, staande op zijn bank in de plenaire vergaderzaal aan het Binnenhof en trillend van woede, te roepen: „Eruit! Eruit!”