Te voet door scheldend Brabant

In een zomerserie over bijzondere reisboeken: de voettochten van een papenhatende dominee, oftewel een Brabants kort lontje.

De Nuenense pastorie, geschilderd door Vincent van Gogh in 1885

Frank C. Meijneke: Op reis door de Meierij met Stephanus Hanewinckel. Voettochten en bespiegelingen van een dominee, 1789-1850. Stichting ZHC en Uitgeverij Nieuwland, 479 blz. € 39,50.

‘Een Jood, een Heiden, zelfs een Turk is menschlievender en verdraagzamer in het stuk van Godsdienst dan de Roomsche Meiërijënaar’. Met dit citaat maakte ik jaren geleden kennis met het werk van Stephanus Hanewinckel, telg uit een Oost-Brabantse predikantenfamilie die rond 1800 voetreizen door de Meierij van ’s-Hertogenbosch maakte en daarvan verslag deed in drie anoniem verschenen publicaties. Hij vatte zijn indrukken en gedachten samen in brieven aan een niet nader geïntroduceerde ‘waarde vriend’. De dominee motiveerde zijn onderneming al in zijn eerste brief, en die doet opvallend modern aan: ‘Reizen, dacht ik, is toch regt aangenaam; men ziet dan onbekende menschen, vreemde landen, afgelegene oorden, met één woord – alles moet ons dan vreemd voorkomen.’ Helemaal zonder risico was dat reizen toen niet, want bij de reisbenodigdheden wordt ook ‘een paar zakpistolen ter lijfsbeveiliging’ vermeld.

Hanewinckel kwam op zijn rondreis inderdaad in een wereld terecht die hem volkomen vreemd was. Hij viel van de ene verbazing in de andere, maar zelden verleidde dit hem tot het schrijven van iets positiefs over plaatsen die hij bezocht en de mensen die hij ontmoette. Vaak doopte hij zijn pen in de zuurste azijn.

Tijdens zijn rondreis kwam Hanewinckel noodgedwongen regelmatig in een herberg terecht en daar ergerde hij zich dan aan van alles: niet alleen de viool ‘wordt op een rampzalige wijs gespeeld’, ook de inwoner van de Meierij zingt ‘met eene dronken keel’. Het voortgebrachte geluid is ‘om raazend van te worden’. Ook het taalgebruik wekte de irritatie van de dominee op. De inwoners van de Meierij hadden ‘sedert 1795 meesterlijk op zijn Fransch leeren vloeken en schelden, schoon zij niet weeten wat zij zeggen’.

Hanewinckel was blij dat hij Geldrop weer kon verlaten omdat de inwoners hem verveelden, vooral door hun ‘onophoudendlijk zweeren en ijslijk vloeken’. De na de Bataafse Revolutie ‘nieuw aangestelde Roomsche schoolmeesters’ werden door hem ‘ellendige breekebeenen’ genoemd. Een betrekkelijk milde kwalificatie vergeleken met hetgeen Hanewinckel over de rooms-katholieke priesters weet te melden. Behalve hun onkunde en onwetendheid, was er veel op hun levenswandel aan te merken: de priesters zouden ‘dolle liefhebbers zijn van het Kaartspelen, van Bacchus en Venus’, van ‘Wijntje en Trijntje’.

Hanewinckel vermoedde (terecht) dat zijn geschriften in Brabant met weinig geestdrift onthaald zouden worden. Daarom liet hij ze anoniem verschijnen. Lange tijd werden zijn boeken gezien als niet serieus te nemen uithalen van een rabiate papenhater. Vooral onder invloed van het werk van de Amsterdamse hoogleraar in de etnologie, Gerard Rooijakkers, is zo'n twintig jaar geleden een begin gemaakt met de rehabilitatie van Hanewinckel. Zijn reisverslagen waren méér dan een afrekening met de domme en dweperige Brabanders, ze waren ook belangwekkende antropologische observaties.

Omdat ‘Hanewinckel’ moeilijk verkrijgbaar was, is het verheugend dat zijn belangrijkste geschriften nu in één band zijn heruitgegeven. Behalve de verslagen van zijn voetreizen in 1798/’99 en zijn Gedachten over de Meierij van ’s-Hertogenbosch en derzelver inwoners, bevat het ook Mijne wandelingen van vroegere jaren. Godsdienstwetenschapper Frank Meijneke heeft de heruitgaven helder en duidelijk in de context van tijd en ruimte geplaatst. Dat deze Oost-Brabantse dominee zo fulmineert tegen uitingen van bijgeloof en godsdienstige onverdraagzaamheid moet, aldus Meijneke, worden toegeschreven aan de invloed van de Verlichting. Hanewinckel was gewoon een kind van zijn tijd.

In een van de laatste brieven uit zijn eerste reisverslag maakt Hanewinckel een balans op. ‘De Majorij levert schoone gezigten op, en de tekenpen zou hier veel werk kunnen vinden, wanneer men dezelve in plaat wilde brengen’. Hij kon toen niet weten dat een andere domineeszoon die in dezelfde Nuenense pastorie woonde als waar Hanewinckel in 1766 was geboren, deze tekenpen ter hand zou nemen: Vincent van Gogh. Aan brieven schrijvende zonderlingen was in de 19de eeuw in Brabant geen gebrek.