'Madame' is veel te goed voor deze wereld

Milena Agus: Madame Agnese. Vertaald door Jeanne Crijns. De Geus, 152 blz. € 17,90

Mal di pietre (Nierstenen) heette de debuutroman van de Italiaanse schrijfster Milena Agus (2006). In Italië werden er een paar honderd exemplaren van verkocht, totdat de Franse boekhandels het verkozen tot een van de beste Europese romans van dat jaar en het boek een bestseller werd. Er volgden vele vertalingen (Het huis in de Via Manno, luidt de Nederlandse titel) en de schrijfster werd gedwongen af en toe haar geliefde Sardijnse eiland, waar ook haar boeken zich afspelen, te verlaten om over haar roman te spreken.

Het huis in de Via Manno is een schitterende, raadselachtige roman, geschreven in een sobere, bijna kale stijl die de heftige emoties waar de roman over gaat des te sterker laat overkomen. Plaats van handeling is het dorp Cagliari op Sardinië, waar de auteur, een lerares geschiedenis geboren in Genua, ook woont. De vertelster, een jonge vrouw, doet stukje bij beetje het leven van haar grootmoeder uit de doeken. Het is een eigenzinnige dame die in haar geboortedorp als een zottin te boek stond, de ware liefde niet vond, op haar dertigste nog ongehuwd was en in arren moede trouwde met een uit de oorlog teruggekeerde soldaat van wie ze niet kon houden. Ter bestrijding van haar nierstenen gaat ze naar een kuuroord op het vasteland, waar ze een gewonde soldaat ontmoet op wie ze verliefd wordt.

Wat volgt is het relaas van een ongeleefd leven, een knap geconstrueerd verhaal waarin werkelijkheid en literaire verbeelding om voorrang strijden. Waarin schuilt het geluk? Wanneer is een vrouw origineel, wanneer abnormaal? Is ze gek als ze beseft dat bij haar het ‘belangrijkste in het leven’ ontbreekt? Als ze haar toevlucht neemt tot haar verbeelding, tot het schrijven, om de werkelijkheid draaglijk te maken? Agus belicht een vrouwenleven in de marge, gevormd door heimwee en onvervuld verlangen.

De schrijfster geeft haar verhaal een complexe structuur, waarbij ze steeds een nieuw inhoudelijk deurtje opendoet en je steeds een ander beeld krijgt van haar personages. Die complexiteit contrasteert met de naïeve verteltoon van de kleindochter, een contrast dat je als lezer volledig ontregelt. Over haar grootmoeder bijvoorbeeld, die zoals we dan weten zelfmoordpogingen heeft gedaan en zichzelf verminkt, vertelt ze dat ze bang is om te sterven, ‘niet voor de dood op zich, want dat moest hetzelfde zijn als slapen gaan of op reis gaan, maar omdat ze wist dat ze God had beledigd, omdat hij haar hier op aarde zoveel mooie dingen had gegeven en zij er niet in was geslaagd om gelukkig te zijn en daarom zou God haar geen vergiffenis schenken’.

Wie Agus’ tweede roman, Madame Agnese, ter hand neemt, zal zien dat de dame uit de titel een literaire tweelingzuster is van de grootmoeder uit Agus’ debuut. Weer gaat het om een vrouw die balanceert op de rand van de waanzin, een vrouw die enerzijds haar kracht toont door haar grond niet aan projectontwikkelaars te verkopen en die anderzijds met zich laat sollen door de eerste de beste man die naar haar glimlacht. Weer is de vertelster een vrouw met grote onschuldige ogen en is ‘madame zoals ik, een meisje van veertien dat nog niet de ervaringen heeft gehad waar vele anderen al genoeg van hebben’.

Agus’ vrouwen leven buiten de wereld, in een universum waar de tijd niet lijkt te verstrijken. Het tijdperk van de consumptiemaatschappij, van de wereldomvattende communicatie is er nog niet doorgedrongen of wordt domweg genegeerd. Racisme bestaat niet, ‘vrienden uit Senegal, Pakistan en Marokko wippen ’s zomers bij haar aan om wat bij te komen ter onderbreking van hun zware werk als verkoper langs de stranden’. Madame en haar buren leven van de opbrengst van de amandelbomen ‘die duur worden verkocht voor de Sardijnse zoete lekkernijen’, groente en fruit uit de moestuin, ‘de tomaten van madame waarvan iedereen zich afvraagt hoe het toch komt dat ze niet waterig zijn en echt naar tomaten smaken’.

Deze tweede roman heeft, in tegenstelling tot de eerste, de vorm van een reeks impressies, die steeds een nieuwe pasteltint toevoegen aan het bitterzoete tableau dat Agus schildert. Vederlicht zijn die impressies, soms poëtisch, soms concreet, maar steeds verwoord op die toon van dat onschuldige meisje met die grote, melancholieke ogen. Er rolt nog net geen grote traan uit, maar veel scheelt het niet. Zonder magie is het leven niets waard, ieder getal heeft een symbolische, voorspellende betekenis, Madame ‘is te goed voor deze wereld’ en het geluk een ‘rad van fortuin dat vroeg of laat begint te draaien’.

Agus schittert ook in deze roman in de beschrijvingen van de robuste méditerranée, de rotspartijen, de zee, de zinderende hitte en de macchia, het stekelige struikgewas dat meter voor meter moet worden veroverd. Haar personages daarentegen zijn ditmaal uitermate fragiel en teer. Bij het eerste briesje vallen ze om.