Inwendig groeten

Frida Vogels: Dagboek 1966-1967. G.A. van Oorschot, 464 blz. € 27,50.

Een literair verantwoorde soap – zo zou je het Dagboek 1966-1967 van Frida Vogels kunnen omschrijven, het zesde deel van deze in 2006 begonnen serie. Van dag tot dag volgen wij het leven van een eenzelvige vrouw van achter in de dertig, tobbend over de liefde, over het verhaal dat ze in 1966 voltooit, over haar broer die ze nooit meer ziet en over vrienden die haar soms wel, maar vaak ook niet begrijpen. Maakt ze de juiste keuzes? Is haar verhaal, over een kankergeval in haar Italiaanse schoonfamilie, wel de moeite waard? Ze laat het aan verschillende mensen lezen, maar stuurt het niet naar een uitgever. Ze hoopt er vooral een toenadering mee te bewerkstelligen tussen haar schoonfamilie en ‘de litteratuur’, maar tegen het eind van 1967 moet ze vaststellen dat die poging is mislukt: haar man reageert er veel te lauw op.

Verder zijn er de vele dagelijkse strubbelingen, over Frida’s zwijgzaamheid, over standpunten die ze niet heeft of niet goed kan verdedigen, of over het wel of niet besluiten tot een wandeling. ‘Ik ga niet wandelen’, schrijft ze op 2 juli 1966, ook al had ze zich al een week op het uitje verheugd. ‘Het weer is onbetrouwbaar, hoewel nu ook weer niet zo onbetrouwbaar dat het me zou moeten weerhouden. Maar ik vertrouw mezelf niet.’

Wat maakt dit Dagboek, net als de vorige, tot zo’n interessante en verslavende soap? De terugkerende karakters en de vele kleine verwikkelingen. Je raakt langzaam met hen vertrouwd: echtgenoot Enzo, de vrienden in Bologna, de vriendin in Rome, de schoonfamilie in Castellina, de familie en vrienden in Amsterdam, waar Vogels enkele maanden per jaar doorbrengt. En verder zijn het niet de vele ongenoegens die Vogels aantekeningen aantrekkelijk maken, maar de indringende, droogkomische manier waarop ze beschreven worden. Zij heeft een speciale voelspriet voor het weergeven van ongemakkelijke situaties. Neem de ontmoeting met voormalige vriend ‘Jaap’ (Oversteegen) op de Prinsengracht in 1967. ‘We keken elkaar strak aan. Hij praatte onderwijl gewoon door tegen zijn kinderen, terwijl ik een groetgebaar maakte, maar ik geloof alleen maar inwendig.’

Of het nu om een wandeling gaat, een ontmoeting of een afgelegd bezoek – steeds neemt ze zichzelf streng de maat. Heeft ze de juiste dingen gedaan en gezegd, op de juiste toon? Is ze wel een goede echtgenote, dochter, zus of vriendin geweest? Is ze, kort samengevat, degene die ze in alle omstandigheden zou willen zijn: ‘een behoorlijk mens’? Met ‘behoorlijk’ wordt zoiets bedoeld als: waardig, betrouwbaar, eerlijk. Als we Vogels mogen geloven, dan schiet zij voortdurend tekort. ‘Ik heb geen reden om veel sympathie voor mezelf te hebben’, verzucht ze op 26 juni 1966. Elders noemt ze zichzelf ‘verwend en achterbaks’. En naar aanleiding van de pijnlijke breuk met broer Michiel merkt ze op dat ze ‘niet betrouwbaar, niet constant, niet loyaal’ is. Aan eerlijkheid geen gebrek.

Veel mensen spreken zich in deze veelbewogen jaren nadrukkelijk uit vóór of tegen iets en dat is lastig voor de priegelige Vogels. Haar vrienden doen mee aan demonstraties tegen de oorlog in Vietnam, nemen stelling tegen Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog of sluiten zich aan bij een socialistische partij. Zij zet alleen een handtekening tegen het levend villen van Canadese zeehonden. Zij geeft zich alleen rekenschap van haar eigen leven. Op dat leven en op de nauwkeurige beschrijving ervan, doet ze haar uiterste best, zo valt te lezen op elke bladzijde van dit meeslepende Dagboek.