Helden

Ik zit op het strand, uit te kijken over zee, wanneer ik iemand kopje onder zie gaan. Ik draag een rood badpak als van Pamela Anderson in Baywatch en ren met golvende blonde haren en een surfplankje onder de arm de zee in. Met enkele ferme slagen ben ik bij de proestende drenkeling, die ik op mijn plankje leg en aan land sjor. Na een succesvolle mond-op-mondbeademing ga ik niet staan rondhangen bij de opgewonden groep die is ontstaan rondom de drenkeling. Zo ben ik niet. Het meest ontroerende gedeelte van mijn reddingsfantasie komt nu: niemand hoeft me te bedanken. Ik hoef geen medaille. Ik ben belangrijk – ik heb iemand het leven geschonken! – maar ken mijn plaats en trek me nederig terug op een duin. Het is daarbij wel van groot belang dat alle omstanders hebben gezien hóe ik me heb teruggetrokken en dat ze het nog lang over zowel mijn moed als mijn nederigheid zullen hebben.

Op internet (today.msnbc.com) stuitte ik op de volgende dialoog tussen een psychiater en een meisje dat zich Q noemt. „Q: Ik fantaseer vaak over het redden van mensen van rampen als branden, overstromingen en terroristische aanvallen. Dat zorgde ervoor dat ik me goed voelde. Nu deprimeert het me omdat ik niet in een gebied woon waar je zulke dingen kunt verwachten. Moet ik naar de oostkust verhuizen omdat zulke rampen daar vaker gebeuren? Wat raadt u aan?”

Dr. Gail Saltz probeert het meisje gerust te stellen met de mededeling dat de reddingsfantasie een van de meest voorkomende dagdromen is, voornamelijk onder mannen: „Ze spelen het af in hun hoofd, en in boeken, films, liedjes en tv-shows. Dit is deels een fantasie over gewaardeerd worden, met als extra een echte held te zijn en mensen te redden van de enorme krachten van het kwaad.” Zou de kiem van alle kunstbeoefening en -waardering terug te voeren zijn op het verlangen gewaardeerd te worden, speciaal te zijn?

Ik verdrink liever dan dat Saltz gelijk heeft, omdat ze natuurlijk gelijk heeft. Ik hoop dat er meer oorzaken zijn die schrijvers aan het schrijven zetten, en lezers aan het lezen, maar weet er zo gauw geen te noemen.

Sandro Veronesi beschrijft in Kalme chaos hoe Pietro Paladini, op het strand met zijn broer, twee zwemsters in problemen ziet raken. Opgezweept door een gedeeld visioen een heldendaad te verrichten, stormen ze af op de drenkelingen. Pietro probeert een vrouw te redden die uit doodsangst haar nagels in zijn dijen slaat. Ze trekt hem onder water. Hij begint haar te haten. Uiteindelijk dwingt hij haar, hijgend en tierend, met een voor hem onverklaarbaar stijf lid tegen haar billen aangedrukt, in een houdgreep het strand op. Wanneer de broers halfdood het strand bereiken, worden de vrouwen uit hun armen gegrist en door andere redders opgeëist. In iedereen schuilt een held.

Dr. Gail Saltz raadt Q niet aan zich in een boek of film te verliezen. Q dient op zoek te gaan naar werk waarmee ze anderen op een praktische manier kan bijstaan, aangezien haar fantasie onmiskenbaar een uiting is van een verdrongen verlangen iets nuttigs te doen. Het hoogtepunt van de goede raad: „Je hoeft niet naar de oostkust te verhuizen om te wachten tot er een ramp komt. Plenty of these things happen elsewhere.”

Alle redders in spe kunnen blijven zitten waar ze zitten.