Handel is oorlog

Paul Krugman, columnist voor The New York Times en dit jaar winnaar van de Nobelprijs voor de Economie, kon deze week zijn lol niet op. Hij had veel plezier om een bericht uit de Financial Times van woensdagochtend dat de statistieken uit de Chinese provincies en steden bij elkaar opgeteld een 10 procent hoger bruto nationaal product opleveren dan de officiële nationale statistiek. Twee maanden geleden schreef Krugman in een column ook al dat China ‘in een vlaag van verstandsverbijstering’ 2.000 miljard dollar aan buitenlandse reserves had opgebouwd.

Gelukkig neemt de regering-Obama China wél serieus. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA heeft een speciale eenheid opgericht om de economische en financiële bedreigingen voor de Amerikaanse veiligheid in kaart te brengen. Bankiers die als gevolg van de crisis hun baan op Wall Street zijn kwijtgeraakt, kunnen er zo aan de slag. De dienst stuurt president Obama nu dagelijks briefings met een analyse van de economische risico’s in de wereld.

Ook het Amerikaanse ministerie van Defensie bereidt zich voor op een nieuw soort bedreiging voor de nationale veiligheid en heeft een economische oorlogssimulatie georganiseerd. Het Pentagon nodigde in maart hedgefondsmanagers, bankiers en academici uit om scenario’s na te spelen die de machtsbalans tussen de leidende economieën in de wereld zouden kunnen doen verschuiven. Niet zo verrassend: China bleek aan het einde van de dag de slimste economische strijder.

Drie jaar geleden weigerde president Bush nog om de Chinese president Hu te ontvangen voor een staatsbanket. Die besloot daarom eerst de staat Washington te bezoeken, waar hij in Seattle voor een diner werd ontvangen door Bill Gates van Microsoft. Vervolgens reisde hij pas naar Washington DC. Krugmans collega-columnist Thomas Friedman sprak daar destijds in een column zijn verbazing over uit: „Als ik iemand 1.000 miljard dollar verschuldigd was, zou ik hem een staatsbanket geven. Ik zou hem ook ontbijt, lunch en afhaalchinees aanbieden.”

De passage is veelzeggend. Niet alleen laat het zien dat Friedman drie jaar geleden een betere columnist was dan hij nu is, maar ook is duidelijk dat de Chinese buitenlandse reserves razendsnel zijn gestegen. Voor Barack Obama zijn de politieke implicaties duidelijk. Vorige week werd in Washington DC de eerste ontmoeting gehouden in het kader van de ‘strategische en economische dialoog’ tussen de VS en China. President Obama, minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton en minister van Financiën Timothy Geithner stonden keurig opgesteld om vicepremier Wang Qishan en viceminister van Buitenlandse Zaken Dai Bingguo te ontvangen.

Misschien was het toch niet zo’n ‘blunder’ van de Chinese leiders om 2.000 miljard aan buitenlandse reserves te accumuleren, zoals economisch commentator Martin Wolf op 9 juni nog in de Financial Times beweerde.

Veel economen wijzen naar de opkomst van een land als Japan in de jaren tachtig. Toch gaat die vergelijking in veel opzichten mank. In de eerste plaats telt Japan minder dan eentiende van het aantal inwoners van China en heeft dus een veel kleiner arbeidspotentieel. In de tweede plaats had Japan tijdens de groeispurt geen overschot op de lopende rekening. Het concurrentievoordeel dat Japan in die jaren genoot, vloeide niet voort uit manipulatie van de yen, maar uit de combinatie van goedkope arbeid en productiviteitsgroei.

Geen enkel ander land dat zo arm is als China heeft stelselmatig een overschot op de lopende rekening gehad ter grootte van 10 procent van het bruto nationaal inkomen. Het inkomen per hoofd van de bevolking uitgedrukt in koopkrachtpariteit bedraagt in China 6.000 dollar. Het land staat daarmee op de 132ste plaats van de wereldranglijst, net onder Albanië en Bhutan. Anders dan gebruikelijk is in surpluslanden zijn de Chinese buitenlandse reserves niet in handen van individuen of ondernemingen, maar in handen van de Chinese centrale bank. Niet de gewone man heeft een onstilbare honger naar Amerikaanse staatsobligaties, maar het Chinese leiderschap.

Bovendien is meer dan driekwart van de 150 grootste ondernemingen in China in handen van de staat of wordt door de staat gecontroleerd. Van de overige ondernemingen zijn de meeste projectontwikkelaars, die voor hun financiering zijn aangewezen op staatsbanken en voor landbouwgrond op de lokale overheden. Peking wil nu een deel van de buitenlandse reserves gebruiken om buitenlandse overnames door Chinese ondernemingen te bekostigen, zo kondigde premier Wen Jiabao vorige maand aan. Op de wereldmarkt voor grondstoffen is China al een grote speler: terwijl de Chinese economie slechts 6 procent vormt van de wereldeconomie, komt een kwart van de toename van de vraag naar grondstoffen in de afgelopen jaren voor rekening van het land met ruim 1,3 miljard inwoners.

In Follies of Power (2009) beschrijft David Calleo, hoogleraar politieke economie aan de John Hopkins Universiteit in Washington, hoe de economische analyse en de internationaal-politieke analyse zich tot nog toe in twee volstrekt gescheiden intellectuele universums afspelen. Ten onrechte. In plaats van een liberale politieke orde voorspelt Calleo een Hobbesiaans strijdperk als gevolg van China’s ongeëvenaarde voorraad aan arbeidskracht, kapitaal en – bijgevolg – concurrentiekracht. Doordat het milieu harde grenzen aan de groei van de wereldeconomie stelt, zal de economische groei in China wel ten koste moeten gaan van de welvaart in het Westen. Handel is oorlog met andere middelen.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/mees (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)