Geen effect atoombom op Japan

Japan capituleerde niet vanwege de atoombommen in augustus 1945. De oorlogsverklaring van de Sovjet-Unie was voor het al gevloerde land de doodsteek, meentHugo Röling.

Jaar in jaar uit wordt bij de herdenkingen van de atoombommen herhaald dat ze het einde van de Tweede Wereldoorlog in augustus 1945 bewerkstelligden. De chronologie staat vast: 6 augustus Hiroshima, 9 augustus Nagasaki, 15 augustus capitulatie. Toch is het oorzakelijk verband aanzienlijk gecompliceerder. Wie wil volhouden dat de atoombommen de oorlog beëindigden moet in de eerste plaats aantonen dat bij het Japanse besluit tot capitulatie de berichten over Hiroshima en Nagasaki de doorslag hebben gegeven. Welnu, blijkens de verslagen van de kabinetszittingen en latere getuigenverklaringen zijn die wel genoemd, maar ze speelden een volstrekt ondergeschikte rol.

De geallieerden hadden op 26 juli in de verklaring van Potsdam de onvoorwaardelijke overgave van Japan geëist. Na Hiroshima deden de Amerikanen er natuurlijk alles aan om duidelijk te maken over wat voor hels wapen zij beschikten. Minister van Buitenlandse Zaken Shigenori Togo had voor acceptatie van ‘Potsdam’ gepleit en confronteerde op 7 augustus in de ministerraad de militairen met de atoombom. Die wilden op meer onderzoek wachten en hielden vol dat het misschien helemaal niet om een atoombom ging. Hoe kon het leger ertoe gebracht worden de nederlaag te aanvaarden? Als de totale fysieke vernietiging van Japan met brandbommen en nu met atoombommen de leiders van leger en marine niet tot een beslissing kon brengen, wat verhinderde dat dan?

De beraadslagingen gingen niet over de hopeloze militaire situatie. Het ging steeds over de kokutai. Letterlijk betekent dat ‘nationaal lichaam’. De vertalingen variëren van ‘Japanse grondwet’ tot ‘nationale identiteit’. In de ideologie van het Japanse militarisme was dit het nauw met het keizerschap verbonden idee van de Japanse superioriteit. De legerleiding vond het verloren gaan van deze spirituele grondslag van Japan veel erger dan de dood van desnoods de gehele bevolking. Welke garanties dat de kokutai niet geschonden zou worden, moesten van de geallieerden verkregen worden, voordat over overgave kon worden gepraat? Daar werd in gekmakende cirkelredeneringen over gesproken en niemand kon daar doorheen komen.

Togo’s pogingen een beslissing te forceren hadden wel de steun van de minister van Marine, Yonai, die ook tot de conclusie was gekomen dat overgave beter was dan de vernietiging van Japan. De ‘vredespartij’ had in elk geval bereikt dat bij het ontbreken van consensus in de ministerraad de keizer gevraagd moest worden een uitspraak te doen. Hirohito moet in augustus 1945, waarschijnlijk overtuigd door de grootzegelbewaarder Kido, tot de conclusie zijn gekomen dat hij zijn handen van het leger af moest trekken om de continuïteit van het keizerschap niet in gevaar te brengen. En zo werd in de verstikkende hitte van de schuilkelder van het paleis op 9 augustus vergaderd in bijzijn van de keizer en zijn entourage, kort na twee heel slechte berichten voor Japan: de Sovjet-Unie had de oorlog verklaard – een harde slag omdat men hoopte op bemiddeling door de Russen in vredesonderhandelingen met de geallieerden – en er was een tweede atoombom afgegaan.

Na een herhaling van alle voorgaande discussies over de (on)mogelijkheid de oorlog voort te zetten, formuleerde de keizer zijn verheven beslissing. Over het keizerschap sprak hij niet, evenmin als over de atoombommen. Het kwam neer op: we riskeren alles te verliezen als we deze hopeloze oorlog voortzetten. In het acht pagina’s tellende verslag van deze vergadering, die drie uur duurde en in de vroege ochtend van 10 augustus eindigde, wordt de atoombom maar één keer genoemd: was er een verdediging tegen? Met daarop een nietszeggend antwoord.

De Japanse acceptatie van de Potsdam-verklaring van de geallieerden ging die ochtend uit, met de voorwaarde dat de prerogatieven van de keizer ongeschonden zouden blijven. Op 12 augustus was duidelijk dat de geallieerden bij hun eis van onvoorwaardelijke overgave bleven. In Tokio liep de spanning op. Zou het leger zich neerleggen bij de uitspraak van de keizer? Legerminister en generaal Anami had vrij openlijk met een coup gedreigd als de regering zou capituleren. Die dag keek admiraal Yonai terug op de eindeloze kabinetszittingen. Het was duidelijk dat bijna alle ministers inzagen dat Japan reddeloos verloren was, maar ze draaiden eromheen. Yonai zei: „Het mag ongepast zijn het zo te stellen, maar de atoombommen en de oorlogsverklaring van de Sovjets zijn in zekere zin een godsgeschenk. Nu kunnen we de oorlog beëindigen zonder duidelijk te maken dat we dat moeten vanwege de binnenlandse toestand.”

Weer bereikte de regering geen consensus, dus moest een tweede uitspraak van de keizer komen. Hirohito zei te vertrouwen op de goede bedoelingen van de Amerikanen. Hij zou het ontoelaatbare toelaten en het onverdraaglijke verdragen. Op die laatste twee dagen kwamen de atoombommen alleen zijdelings ter sprake. Geen moment lijken ze voor de betrokkenen de doorslag te hebben gegeven bij hun besluit. Iedereen verwachtte nu een staatsgreep van het leger, maar Anami steunde die uiteindelijk niet. Hij pleegde zelfmoord. De grammofoonplaatopname van Hirohito’s aankondiging van de overgave werd op het nippertje gered uit handen van muitende officieren en op 15 augustus werd de capitulatie van Japan afgekondigd.

Als die atoombommen zo’n ondergeschikte rol speelden bij Japans overgave, dan waren ze toch onnodig? De cruciale vraag is hier of Truman dat kon weten. De Japanse leiders hebben uiteindelijk afgezien van een Götterdämmerungscenario. Maar wisten de Amerikanen dat in Tokio radeloos gezocht werd naar een uitweg? Nee, want na tien dagen was er nog geen antwoord op de Potsdam-verklaring. In onderschepte geheime boodschappen hoorden ze vooral over bereidheid zich dood te vechten. En hun werd voorgehouden wat voor geweldige verliezen het heroïsche Japanse leger de Amerikanen nog zou toebrengen als ze op de hoofdeilanden landden. Gesteld voor dat dilemma koos Truman voor het gebruik van de atoombommen. Maar die waren niet alléén beslissend voor het besluit tot capitulatie. Wie op zoek gaat naar de knockout blow heeft aan de oorlogsverklaring van de Sovjet-Unie een betere kandidaat. Dat is de conclusie van één van de beste historici over dit onderwerp, Tsuyoshi Hasegawa, in Racing the Enemy: Stalin, Truman and the Surrender of Japan (2005). Dat zo hardnekkig wordt vastgehouden aan het idee dat de atoombommen de oorlog hebben beëindigd, is zeer begrijpelijk. De totale zinloosheid van de bommen is te ongelofelijk. Als zoiets verschrikkelijks is gebeurd, moet dat ergens goed voor zijn geweest (of het gaat om een onvoorstelbare oorlogsmisdaad, maar dat is een ander verhaal). Dit verklaart waarom het idee populair is dat Hiroshima en Nagasaki ervoor gezorgd hebben dat de Koude Oorlog nooit een nucleaire oorlog geworden is. Het zijn niet te bewijzen speculaties, tegelijkertijd onze enige troost. Dat in augustus 1945 wereldwijd gejuicht is over de atoombommen die het duivelse Japan in het stof hadden doen bijten, is erg begrijpelijk. Maar het achteraf afwegen van de bronnen en de getuigenissen maken geen andere conclusie mogelijk dan dat het tweevoudig ‘onvergetelijk vuur’ het einde van de Tweede Wereldoorlog gemarkeerd heeft, niet veroorzaakt.

m.m.v. Geert van BremenHugo Röling is historicus. Zijn vader, wijlen prof. B.V.A. Röling (hoogleraar internationaal recht), maakte deel uit van het Tokio-tribunaal.

Een langere versie van dit artikel plus literatuurverwijzingen op nrc.nl/opinie