Epidemische behoefte aan controle

De angst dat de hele mensheid eraan gaat door de griepepidemie groeit. Maar doemscenario’s overwoekeren de feiten.

Philip Alcabes: Dread. How fear and fantasy have fueled epidemics from the black death to avian flu. The Perseus Books Group, 312 blz. € 21,95

Enkele nieuwsfeiten van de afgelopen tijd: op een totaal van ongeveer 160.000 gevallen van Mexicaanse griep wereldwijd zijn nu meer dan duizend doden gevallen. Nederland heeft 34 miljoen griepvaccins. Enkele weken geleden meldden de media de ene dag dat de militair die bij de Nijmeegse Vierdaagse wegens ziekte moest uitvallen toch niet de nieuwe griep heeft, de andere dag blijkt een Britse vrouwelijke soldaat die meeliep de ziekte wel te hebben. De meeste deelnemers zeggen voor de camera’s dat ze zich geen zorgen maken. Maar op de voorpagina van een krant staat de volgende dag wel een grote foto van een deelnemer met een mondkapje voor.

Deze week werd de eerste Nederlandse griepdode gemeld.

Zo worden we al maanden dagelijks op de hoogte gehouden van het grote en kleine nieuws rond de nieuwe griepvariant. Die media-aandacht en de uitgebreide maatregelen om de komende epidemie het hoofd te bieden, staan in schril contrast met de feitelijke risico’s tot nog toe. 1.100 doden maakt als geïsoleerd getal wel indruk, maar op wereldschaal en vergeleken met andere ziektes stelt de Mexicaanse griep nog weinig voor. Dat er toch zoveel aandacht voor is en dat wereldwijd zoveel mensen zich zorgen maken, heeft dan ook weinig te maken met een reële inschatting van de risico’s of met de huidige mortaliteitscijfers. Het heeft te maken met een diepgewortelde angst voor een epidemie; de angst voor een onbekend virus dat de hele samenleving zou kunnen ontwrichten of op termijn zelfs de hele mensheid zou kunnen uitroeien. Die angst vormt het thema van het boek van de Amerikaanse epidemioloog Philip Alcabes, Dread. How fear and fantasy have fueled epidemics from the black death to avian flu, verschenen vóór de uitbraak van de Mexicaanse griep.

Ontwrichting

Alcabes zoekt de oorzaak van al die aandacht en verontrusting vooral in de culturele geschiedenis van de epidemie. Voor epidemiologen is sprake van een epidemie als er tegen de verwachting in plots veel meer gevallen van een ziekte opduiken. Dit betekent dat tbc met 9 miljoen nieuwe gevallen per jaar en 2 miljoen doden geen epidemie is, maar een nieuwe griepvariant wel. Voor de meeste mensen heeft het woord epidemie een heel andere betekenis: het is een huiveringwekkende ramp, een voorbode van totale ontwrichting.

Volgens Alcabes kun je een epidemie op drie manieren bestuderen: als medisch probleem, als sociale crisis en als verhaal, waarin de epidemie voor een samenleving betekenis krijgt. Als mensen worden geconfronteerd met een nieuwe epidemie, worden meteen allerlei angsten en visioenen opgeroepen die in de loop der eeuwen zijn ingesleten in het collectieve bewustzijn. En vervolgens handelen ze daar ook naar, waardoor de angst voor de epidemie soms voor een grotere maatschappelijke ontwrichting zorgt dan de ziekte zelf.

In de Middeleeuwen leidde de pest tot uitroeiing van vele Joodse gemeenschappen – Joden zouden de ziekte opzettelijk verspreiden; er moest een zondebok worden aangewezen. Het verhaal over de pest was er een van zonde, straf en genade. Dat idee van de epidemie als straf komt telkens terug, bijvoorbeeld toen aids werd ontdekt en gelabeld als ‘homoziekte’.

Alcabes geeft een interessante analyse van de culturele geschiedenis van de epidemie. Hij laat zien dat de wetenschap langzaam terrein wint, maar dat tegelijkertijd iedere epidemie nieuwe bezweringsformules oplevert. In de 19de eeuw kregen vooral de armen, opeengepakt in smerige arbeiderswijken, de schuld van de uitbraak van cholera. In de VS moesten vooral de katholieke Ierse immigranten het ontgelden, die zich in de ogen van de protestantse Amerikanen aan god noch gebod hielden en natuurlijk iedere dag laveloos waren. Dit is een veelvoorkomend patroon in de cultuurgeschiedenis van de epidemie: het zijn altijd de vreemdelingen die de ziektes meenemen en daarom moeten ze worden tegengehouden of gedwongen geïsoleerd.

De ontwikkeling in de 19de eeuw van de microbiologie, de epidemiologie en de volksgezondheid als zorg van de staat zorgden voor een rationele aanpak, maar deze legde weer de basis voor theorieën die ‘raskenmerken’ koppelden aan de vatbaarheid voor bijvoorbeeld cholera. Een hoge besmettingsgraad was een bewijs voor raciale inferioriteit met als uiterste consequentie de eugenetica, zoals in praktijk gebracht door de nazi’s met verplichte sterilisaties en het massaal uitroeien van mensen met ‘lebensunwerten Lebens’.

Uit de geschiedenis blijkt dat epidemieën telkens maatschappelijke bewegingen oproepen die een conservatieve of progressieve agenda willen doorvoeren. En die de angst voor besmetting gebruiken om leefomstandigheden te verbeteren, maar ook om groepen met een afwijkende levensstijl of een andere seksuele moraal weer in het gareel te krijgen.

Spaanse griep

In de cultuurgeschiedenis van de epidemie speelt de Spaanse griep uit 1918 een belangrijke rol. Bij elke nieuwe epidemie duikt het schrikbeeld op van een griepvirus dat zichzelf ongrijpbaar maakt door mutatie. Volgens Alcabes wordt de Spaanse griep gebruikt om mensen de stuipen op het lijf te jagen, ook bij virussen die zich moeilijk van mens tot mens verspreiden. Steeds vaker wordt het doemscenario van het ongrijpbare virus misbruikt om grootschalige maatregelen te treffen, grote hoeveelheden medicijnen in te slaan of enorme vaccinatieprogramma’s op te zetten. Daar zitten commerciële of politieke belangen achter, maar doorslaggevender is volgens Alcabes dat wij als samenleving telkens onze angsten en onzekerheden kunnen projecteren op de volgende epidemie, met het idee dat alles dan wel onder controle is.

Het krachtige epidemieverhaal heeft in het huidige, onzekere post-9/11 tijdperk nog een veel bredere werking gekregen met als gevolg dat we tegenwoordig overal nieuwe epidemieën menen waar te nemen. Dat wil zeggen: als een bestaande conditie tot ziekte wordt gedefinieerd, zien we overal gevallen opduiken en is de epidemie al snel een feit. Zo is er sprake van een ‘obesitasepidemie’ of van autisme ‘dat epidemische proporties’ begint aan te nemen. Daarmee activeren we het hele dreigingsverhaal met bijbehorende urgentie en bestaat de kans dat we de metafoor voor de werkelijkheid aanzien. Alcabes rekent autisme tot deze ‘imaginaire epidemieën’. Er is geen sprake van toename van autisme, maar van almaar bredere definities van het ‘autistisch spectrum’, het steeds beter herkennen van mogelijke ‘signalen’ voor autisme en de veronderstelde ziektewinst.

De opmars van autisme maakt duidelijk hoe krachtig de epidemie als verhaal is en hoe weinig ‘ziekte’ eraan ten grondslag hoeft te liggen: soms is retoriek voldoende om de dynamiek van een epidemie op gang te brengen. Maar ook bij een wél traceerbare oorzaak – een griepvirus –, overwoekert het grote doemscenario de feiten en de risico’s. Intussen accepteren we tal van andere ziektes die miljoenen slachtoffers eisen als een gegeven, maar die vormen dan ook geen bedreiging (meer) voor de westerse wereld. Door de angst voor de epidemie in een bredere cultuurhistorische context te plaatsen levert Alcabes een krachtig pleidooi voor relativering. En dat is hard nodig als de angst voor de epidemie epidemische vormen aanneemt.