Een doodsaanzegster op weg naar een zoutmijn

Peter Handke: Kali. Een voorwinterverhaal. Vert. W. Hansen. Wereldbibliotheek, 128 blz. €16,90

Twee jaar geleden ging tijdens de Ruhrtriënnale in de schouwburg van Bochum het nieuwste toneelstuk van Peter Handke in première, Spuren der Verirrten. In de regie van de befaamde Claus Peymann liepen de acteurs als verdwaald en verdoold over het lege toneel, met hier en daar een gestileerde boom.

Deze toneeltekst van de Oostenrijker Handke (Karinthië, 1942) was ijl, poëtisch en allesbehalve theatraal. Ik moest weer aan diezelfde tekst en aan de ‘Verirrten’ uit de titel denken bij het lezen van Handkes nieuwste boek Kali, met als ondertitel Een voorwinterverhaal (2007). De ondertitel lijkt een verwijzing naar Handkes omstreden boek over Servië uit 1997: Gerechtigkeit für Serbien. Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina. Hoewel Handke in Kali nergens een topografische benaming gebruikt, speelt zijn vertelling zich ergens in Midden-Europa af. De titel verwijst naar de kali- ofwel zoutmijnen in het hart van Europa.

Kali is een abstracte, tijdloze roman die ver af staat van de hedendaagse tijd. Een naamloze verteller beschrijft het optreden van een zangeres ergens in een schouwburg. Maar de toehoorders zijn doden, ze zwijgen en tonen geen enkele beroering. Het seizoen waarin ze optreedt voor haar dode publiek is de voorwinter uit de ondertitel. Deze zangeres is uitverkoren, zij is een vindster. Op haar weg komt ze van alles tegen, symbolische voorwerpen als een trouwring en een contactlens, en ook een kind dat al dagenlang gezocht wordt. Verder ontmoet ze nog een man die na de dood van zijn vrouw jaren op een nieuwe liefde heeft gewacht. De zangeres identificeert zich met het verloren gewaande kind en voorspelt dat zij het zal vinden.

Maar is zij wel, ondanks haar gave tot vinden, een levenbrengend personage? De dode schouwburgbezoekers doen het ergste vermoeden, net zoals de onheilspellende openingszin: ‘Ook mij heeft ze bang gemaakt, maakt ze bang. Maar ik wil de confrontatie met haar aangaan.’ Van de vele betekenissen van het woord ‘kali’ dient zich, naast het kaliumzout, de hindoeïstische godin van de dood aan, Kalii. Zij is de doodsaanzegster, ze maakt een reis, zoals alle personages van Handke doen. Haar doel is een witte zoutberg. Aan de voet ervan wonen thuisloze mensen, emigranten, mensen die hun vaderland verloren hebben. De omgeving van de zoutmijn noemt zij de Dode Hoek. Hier vindt ze opnieuw een veelzeggend voorwerp, een verbrand boek waarin ze desondanks leest en het verhaal over Lancelot tegenkomt. Deze ridder is op zoek naar de Heilige Graal.

De zoektocht van de vrouw is vooral gericht op het vermiste kind. Handke wekt de suggestie dat het haar eigen kind is, niet een bestaand kind, maar het gedroomde kind, het gewenste of verlangde. Geleidelijk openbaren zich tijdens haar zoektocht haar eigen jeugdjaren. Als de vrouw vraagt ‘wanneer het kind voor het laatst’ is gezien, dan suggereert ze daarmee de vraag aan zichzelf, namelijk wanneer zij voor het laatst zelf kind is geweest.

Handke werkte jarenlang samen met de cineast Wim Wenders. In Kali kiest hij een filmisch standpunt. We volgen de vrouw en de zoutheer diep in de donkere mijn, een tocht die naar het binnenste van de aarde lijkt te voeren. Met oog voor details schetst Handke ons de bizarre wereld van vreemdelingen en thuislozen aan de voet van de zoutberg.

Handke dwingt tot lezen en herlezen, want de voortgang van het verhaal heeft hij diep verborgen onder poëtische en vaak zelfs bijbels aandoende teksten. Niet voor niets eindigt het verhaal in een kerk, waar een menigte zich bevindt die heeft gewacht op een wonder. Het kind transformeert hierdoor tot het kerstkind. Prachtig zijn de overwegingen over het bestaan, over het leven, over dood en verlies. Deze bijvoorbeeld: ‘Wie zijn vader vroeg verloren heeft, blijft altijd zijn kind.’ Of de overpeinzing over reizen en blijven: ‘Weg van hier? Nee, hier blijven. Leven waar de wereld aangrijpend is.’ Als aan het slot het met licht omstraalde kind verschijnt, verzucht de verteller, die hiermee zijn rol aan het kind overdraagt: ‘Ach, als het kind eenmaal begint te vertellen: gaande mensen onder bloeiende bomen...’

Die laatste zin lijkt in het recente werk van Handke het credo te zijn: zowel in Eine winterliche Reise... als Spuren der Verirrten zet Handke personages neer die je als ‘gaande mensen’ zou kunnen betitelen: mensen onderweg. Ze kunnen dan verdwaald zijn of ontheemd, hun weg gaat onder bloeiende bomen. De slotregel moet dan een verwijzing zijn naar Handkes omstreden reisverhaal Gerechtigkeit für Serbien. Critici verweten hem alleen over, inderdaad, bloeiende bomen te schrijven en de oorlogsmisstanden te verzwijgen. Het kan niet anders of Handke schreef met Kali een revanche met een apostolische inslag. Al zit een schouwburg vol doden, al is de zangeres een aanzegster van de dood, boven de mensheid bloeien er altijd bomen.