Een bar feest der herkenning

Roddelen, pesten en dreigen. De tactiek om van een werknemer af te komen kent veel facetten. Maar het slachtoffer verliest het vertrouwen in alles en iedereen. Annette Pehnt schreef er een confronterende roman over, in kale taal.

Annette Pehnt: Als jij goud zegt, is het goud. Vertaald door John Breeschoten. Contact, 141 blz. € 19,95

‘Nu hebben we weer tijd’, zegt de vrouw van Joachim Rühler monter als hij net ontslagen is. ‘We kunnen nu eindelijk doen waar we zin in hebben.’

Maar Jo (koosnaampje) stelt haar bitter teleur. Hij heeft nérgens zin in. Van zijn oude hobby, hardlopen, moet hij niets meer hebben. Bij- of omscholing is hem een brug te ver en aan de kinderen schenkt hij nog nauwelijks aandacht.

Annette Pehnt (1967) schetst in haar nieuwe roman de verwoestende gevolgen van werkloosheid – voor het slachtoffer zelf én voor zijn gezin. Jo’s echtgenote voert het woord in Als jij goud zegt, is het goud. Dat vertelperspectief is een goede keuze. Omdat de vrouw de gebeurtenissen die aan het ontslag voorafgingen van een verwarde man hoort, weet zij nooit helemaal waar ze aan toe is. Haar twijfel slaat op de lezer over. Wat waar is en wat gelogen, door Jo, zijn collegae en zijn chef, dat blijft onduidelijk. Zo onzeker als de lezer zich voelt, zo moet Jo zich ook gevoeld hebben toen hij die baan nog had.

In het Duits (nou ja, Duits…) heet Annette Pehnts boek Mobbing. Een treffende titel, want dat is precies wat Jo overkomt. In Freiburg nog wel, een rustige, mooie stad, die symbool staat voor een intacte wereld. Vol warme belangstelling informeren zijn collegae naar zijn kinderen, elke dag opnieuw. A. en T. lijken vrienden, goede vrienden zelfs. Maar achter zijn rug om pesten zij hem weg.

Hij wordt vernederd en buitengesloten, gedegradeerd, bedonderd en bedreigd. De nieuwe chef wil geen sterke werkers om zich heen maar zwakke ja-knikkers. Ze vormt een bondje met A. en T., die daar niets op tegen hebben. De solidariteit met hun collega J. is beperkt houdbaar gebleken.

Maar erger nog dan dat verraad is de wankelende solidariteit tussen man en vrouw. Nu eens neemt de vertelster het voor haar kerel op, dan weer laat ze hem vallen. De daders zijn immers de winnaars en hun perfide ideeën, hun verdachtmakingen en hun leugens, nestelen zich in de hersens van de slachtoffers. Omdat Jo zichzelf niet meer kan vertrouwen, vertrouwt zijn vrouw hem niet meer.

Dat is een fors probleem voor een kwetsbare moeder met twee kleine meisjes. Ja, we begrijpen haar wel, haar verlangen naar hulp en steun, naar de Jo van vroeger, van wie niets meer over is. Zomin als hij in staat is haar rol op zich te nemen, zomin kan zij de kost verdienen. Het academisch gevormde stel weet niet hoe het met tegenspoed moet omgaan. Het heeft er domweg geen ervaring mee. Met voorspoed des te meer. De espressomachine staat in Pehnts boek voor het moderne middenklassegeluk. Wie er gebruik van maakt, die hoort erbij, bij de succesvolle werkende mensen. Jaloers ziet Jo’s vrouw de overburen ’s ochtends om hun blinkende espressomachine staan, fris gedoucht, klaar voor een dag vol actie.

Sommige Duitse critici vinden Mobbing, dat zo dicht tegen de werkelijkheid aan schuurt, geen literatuur. Wat is de artistieke meerwaarde ten opzichte van een journalistiek werkje, vragen zij zich af. Welnu, die meerwaarde zit ’m in de stijl. In de even sobere als krachtige taal. En in de compositie. Mobbing is goed opgebouwd. Het bestaat uit twee delen. Deel één speelt zich af in de winter, op één enkele dag. Valentijnsdag, een dag voor verliefden: hoe ironisch. In het tweede deel zijn we een half jaar verder.

Het is zomer en Fortuna lijkt Jo & Co toe te lachen. De rechtszaak tegen zijn ontslag hebben zij gewonnen. Jo is weer in dienst genomen. Het huis hoeft niet te worden verkocht. De dochters kunnen, zodra ze er klaar voor zijn, naar fluit- en paardrijles. Iedere ochtend staat Joachim Rühler weer bij zijn espressomachine. Om naar zijn werk te gaan. Maar het is geen werk. De chef heeft iets speciaals voor hem bedacht. Hij is verbannen naar een container, waar hij teksten vertaalt die direct bij het afval belanden. De chef zal nog wel meer speciale dingen bedenken. En de Rühlers zullen wel in hoger beroep gaan. Tot ze hun advocaat niet meer kunnen betalen. Een stukje dialoog:

‘Waarom ben jij geen advocaat geworden, zeg ik.

Hij: Ga toch en zoek wat beters.

Ik: Veel geholpen heeft hij niet, die fantastische overwinning.

Hij: We zijn in oorlog!

Ik: Ach, gaan we weer op die toer.

Hij: Je kunt nu eenmaal niet zelf bepalen wanneer de oorlog voorbij is.

Ik: Hou op. Hou op.

Hij: Goed. Ik zeg al niets meer.

Ik: Nu sta je op. Je staat gewoon op. Zo denk je er wel heel gemakkelijk vanaf te komen. Opstaan en mij hier laten zitten.’

In een interview zei Annette Pehnt dat haar eigen man ooit het slachtoffer van mobbing was. Ze kent de situatie. Alles komt voorbij: het ongeduld en het uiteindelijke wegblijven van zogenaamd goede vrienden, de clichés waarmee het paar zichzelf probeert te troosten (‘Hoofdzaak is dat we gezond zijn’), het isolement van de vrouw en de bedrukte liefde voor haar kinderen.

Pehnt, zelf moeder, voegt iets wezenlijks aan de Duitse literatuur toe: de toegewijde beschrijving van het dagelijkse geworstel met het nageslacht. Precies en poëtisch zijn haar observaties van kleuters: ‘Uit hun blikken sprak een ingehouden trots want ze waren mooi en dat wisten ze. Ze zaten met bungelende benen rond de koffietafel, weldra begon hun waardigheid in plezier te veranderen, ze bliezen met hun rietjes belletjes in de limonade en Mona smeerde een snor van chocola op haar bovenlip.’

Jammer dat John Breeschotens vertaling niet altijd helemaal klopt. Haar vlecht je niet in staartjes; een Spielplatz is geen speelplaats, maar een speeltuin. Maar goed. Annette Pehnt, die al eerder een tendentieuze bejaardenhuisroman schreef, heeft nu haar toon gevonden. Mobbing, is, ook in de Nederlandse versie, ontroerend, confronterend en integer. Geen troost voor de slachtoffers van de recessie hier, wel een bar feest der herkenning.