Brokken van volmaakte zinnen

Het saaie platteland was ideaal voor de verlegen Elizabeth Taylor. Ze schreef er scherpe observaties en duizenden brieven.

Nicola Beauman: The Other Elizabeth Taylor. Persephone Books, 444 blz. € 20,-

‘Ik heb, godzijdank, een tamelijk onbewogen leven gehad. Maar soms dringt een andere, meer opwindende wereld zich aan mij op, in de vorm van fanmail aan de andere Elizabeth Taylor. Mannen vragen mij om een foto in bikini. [...] Maar ik heb geen bikini.’ In de droge, matter-of-fact stijl die haar eigen was, legde de Engelse auteur Elizabeth Taylor fijntjes haar vinger op datgene wat het verschil uitmaakte tussen haarzelf en die beroemde ander.

Hun artistieke levens begonnen vrijwel op hetzelfde moment, vroeg in 1945, toen Taylor-de-actrice doorbrak met National Velvet, en Taylor-de-schrijfster eindelijk haar eerste roman, At Mrs Lippincote’s, publiceerde. Maar wie een foto van de laatste ziet – koel, elegant, gereserveerd – beseft onmiddellijk dat de twee naamgenoten niet anders dan tegenpolen kunnen zijn.

Elizabeth Taylor (1912-1975) is, zeker in Engeland, misschien wel het bekendst als de schrijfster die ten onrechte niet bekend genoeg is – ondanks gloedvolle loftuitingen van beroemde collega-auteurs, onder wie Kingsley Amis, Elizabeth Jane Howard en Elizabeth Bowen. Ze beleefde haar hoogtijdagen in de jaren veertig en vijftig, een periode waarin bijvoorbeeld ook schrijfsters als Barbara Pym, Rosamond Lehmann en Ivy Compton-Burnett furore maakten met hun ironische analyses van het dagelijkse leven van de Engelse middenklasse.

In de jaren zestig ging Taylors fijnzinnige stem verloren in het kabaal van de Angry Young Men, die ‘grote’ maatschappelijke thema’s overhoop gooiden en veel luidruchtiger hun actualiteit en engagement uitdroegen. Maar Taylors werk – twaalf romans en vier bundels korte verhalen – is nooit helemaal weggeweest: in de jaren tachtig verschenen herdrukken bij Virago en in 2007 gaf deze uitgeverij opnieuw een selectie titels uit, met inleidingen van gerenommeerde auteurs als Sarah Waters en Hilary Mantel (onder andere A View of the Harbour uit 1947, Angel uit 1957 en In a Summer Season uit 1961).

En nu is er eindelijk een biografie: het meeslepende The Other Elizabeth Taylor van literatuurhistorica Nicola Beauman. (Beauman is ook uitgeefster van de veelgeprezen Persephone Books, een serie prachtig verzorgde heruitgaven van ‘vergeten meesterwerken’, meestal onverkrijgbare titels van vrouwelijke auteurs uit het midden van de vorige eeuw.)

Elizabeth Taylor werd als Betty Coles geboren in Reading, ging naar dezelfde school als Jane Austen (met wie ze later voortdurend is vergeleken), maar mocht, ondanks een passie voor Grieks, niet verder studeren omdat ze voor wiskunde zakte. Ze werkte als bibliothecaresse en gouvernante, een vleesgeworden karikatuur van het soort personages dat van vrouwelijke auteurs uit die tijd werd verwacht. In 1936 trouwde ze met de welgestelde, conservatieve John Taylor; ze kregen een zoon en een dochter. Ruim dertig jaar woonde Taylor in hetzelfde kleine dorp in Buckinghamshire, ver van het gedruis van literair Londen; van de feestjes, de lunches, de borrels met collega’s en uitgevers en redacteuren. Haar zelf verkozen ballingschap in de rust, regelmaat, ja saaiheid van het plattelandsleven – lunch met man en kinderen, wekelijkse boodschappen in de dichtstbijzijnde stad, gin & tonic om zes uur – bood haar de enige mogelijkheid om te schrijven.

Vriendschappen onderhield zij bij voorkeur per brief. Honderden, duizenden moet ze er geschreven hebben, allemaal van ongekende kwaliteit volgens een van haar correspondenten. Daar zijn er weinig van over: vlak voor haar dood aan kanker in 1975 gebood Taylor haar vrienden om haar brieven te verbranden. Ze verafschuwde elke inbreuk op haar privé-leven, niet alleen omdat ze pijnlijk verlegen was, maar ook omdat ze het beeld van die pijnlijk verlegen vrouw intact wilde houden.

Daar had ze haar redenen voor, zo blijkt uit The Other Elizabeth Taylor. Nicola Beauman heeft een biografische schatkist gevonden: vijfhonderd onbekende brieven van Taylor aan Ray Russell, een meubelontwerper en schilder met wie ze een jarenlange affaire had. Het paar leerde elkaar kennen in het lokale kantoor van de Communistische Partij, waar Taylor sinds haar huwelijk (!) lid van was. Aan hun geheime relatie kwam in de late jaren veertig noodgedwongen een einde omdat Elizabeths echtgenoot haar voor het blok zette, maar de briefwisseling hield stand tot aan haar dood.

De brieven uit hun eerste jaren laten de geboorte van een auteur zien, en geven een scherp en nieuw inzicht in de totstandkoming van later werk, waarin echo’s van de verhouding met Russell doorklinken. Hier is Beauman op haar best als biograaf, waar ze fijne draden spint tussen leven, werk en schrijverschap van Taylor. Dat schrijverschap staat centraal, en daarin zijn het de korte verhalen, nog meer dan de romans, die Taylor tot de grootse auteur maken die zij is.

In haar werk gaat het om eenzaamheid, teleurstelling, verraad, angst. Haar verhalen zijn haarscherpe, soms vlijmscherpe observaties van het menselijk tekort op de vierkante millimeter, van alle franje ontdaan in een transparant, elegant, lichtvoetig Engels. Taylor schreef perfecte zinnen – zo perfect dat zelfs de gevreesde redacteuren van The New Yorker haar verhalen ongeredigeerd plaatsten. Hoofdredacteur Bill Maxwell bedong het eerste recht op alle korte verhalen die ze schreef en vergeleek haar met Guy de Maupassant en Tsjechov.

Zelf noemde zij Virginia Woolf als een groot voorbeeld, en in de fragmentarische manier waarop zij haar verhalen en romans componeerde, klinkt wel iets van Woolf door. ‘Ik houd niet van ,,en toen, en toen’’ in verhalen’, schreef Taylor aan haar zielsverwant Russell. Ze karakteriseerde haar werk als ‘niet-narratief’, als een aaneenschakeling van momentopnames en scènes. Misschien heeft dat, zoals Beauman suggereert, wel te maken met de manier waarop vrouwen, noodgedwongen, schreven – in brokstukken, tussen alle dagelijkse bedrijven door. Mogelijk ook was het de unieke uitingsvorm van Taylors modernisme, de wijze waarop zij het leven als schakering van ogenblikken observeerde – radeloos, somber, genadeloos, maar altijd met mededogen.