Schreeuw om meer privacy

Topzwemmers worden vaak gecontroleerd op het gebruik van prestatie- bevorderende middelen. Kent de zwemsport daarom weinig grote dopingzaken?

Elke keer als zwemmer Milorad Cavic tot een internationale topprestatie komt, ‘voelt’ hij het om zich heen. Niemand spreekt het uit, maar de Servische vlinderslagspecialist weet dat er gefluisterd wordt over doping. Begin dit jaar vond hij het genoeg. Sinds 1 maart laat hij vrijwillig zijn bloed en urine testen, en zet alle waarden op internet (www.positivoallasalute.it), zodat de hele wereld kan zien wat er in zijn lijf wordt gevonden. „Wat mij altijd heeft geïrriteerd is het negatieve stigma dat volgt op het halen van een medaille”, zegt Cavic, die op de WK in Rome de 50 vlinder won en tweede werd op de 100 meter, achter Phelps. „Dat je een gewone dopingtest doorstaat is onvoldoende om fanatici ervan te overtuigen dat je niet op één of andere manier het systeem hebt omzeild.”

Cavic is de eerste zwemmer die vrijwillig zijn eigen bloedpaspoort in de openbaarheid bijhoudt, in samenwerking met de Universiteit van Modena. De Serviër wil met zijn campagne de aanzet geven tot een „schonere zwemsport”. De introductie van bloedpaspoorten is volgens Cavic noodzakelijk, omdat de bestaande dopingtesten gebrekkig zijn. „Ze worden elke dag omzeild en hoewel we dat weten, wordt er maar weinig aan gedaan.”

Zijn actie is opmerkelijk, want in tegenstelling tot bijvoorbeeld het wielrennen doen zich in de zwemtop de laatste jaren weinig grote dopingzaken voor. In de jaren zeventig en tachtig overheersten de Oost-Duitse zwemsters de sport dankzij, naar later werd aangetoond en toegegeven, het grootschalig gebruik van anabole steroïden. Begin jaren negentig werd de snelle opkomst van Chinese zwemsters aan even grootschalig gebruik van verboden middelen toegeschreven.

Rond de Spelen in Peking van vorig jaar stak het probleem weer de kop op. Dit jaar werden vijf Chinese zwemmers en verschillende coaches voor twee jaar aan de kant gezet, nadat zij al in de aanloop naar de Spelen waren betrapt. Maar de zwemsport kent geen dopingcultuur, zegt Erik van Heijningen, voorzitter van de Nederlandse zwembond (KNZB) en van het Dopingpanel van wereldzwemfederatie FINA. „Er zijn maar weinig sporters die in hun eentje een systeem van dopinggebruik kunnen opzetten. Daar zit altijd een kring van mensen omheen. Die cultuur zie je niet in de zwemsport, op een paar incidenten na, zoals destijds Oost-Duitsland. Individuele gevallen zie je alleen bij het gebruik van verboden genotsmiddelen als cocaïne.”

De Australiër Peter Kerr, al jaren lid van het Dopingpanel, stelt dat de FINA en de nationale bonden „oplichters die doping gebruiken” snel en consequent aan de kant zetten, met de „bijbehorende straffen”. „Doordat de federaties de juiste houding hebben aangenomen om het probleem adequaat aan te pakken, zie je weinig grote zaken in het zwemmen.”

Toch duikt er af en toe een op. De bekendste die recent werd betrapt is de Amerikaanse schoolslagkampioene Jessica Hardy, oud-wereldrecordhoudster op de 100 meter. Zij werd vlak voor de Spelen in Peking betrapt op het gebruik van clenbuterol. En de Tunesiër Oussama Mellouli moest na de WK van 2007 twee medailles inleveren nadat hij was betrapt op amfetamine. Direct na zijn terugkeer, in Peking, won hij goud.

Topzwemmers worden met grote regelmaat gecontroleerd. Pieter van den Hoogenband werd zo vaak op doping gecontroleerd, zo’n dertig tot veertig keer per jaar, dat hij zich eens cynisch liet ontvallen dat hij vaker met een andere man naar het toilet ging dan alleen.

Het zit ook Van Heijningen niet lekker dat topzwemmers zo weinig privacy hebben onder het systeem van de ‘whereabouts’ van werelddopingautoriteit WADA. „Er is geen beroepsgroep op de wereld waarbij je een paar weken van tevoren moet vertellen waar je bent en waarbij je zoveel informatie over je eigen leven moet afgeven. Dat betekent een forse last op de schouders van de sporters.”

Sporters noemen de controles vaak buitensporig. Niet alleen WADA houdt controles, ook de FINA en de nationale dopingautoriteiten. Van den Hoogenband vertelde eens hoe bij hem thuis in België, om half acht ’s ochtends, een controleur van de Vlaamse Gemeenschap aanbelde voor een plas. Vaak ontbreekt de coördinatie, zodat het voorkomt dat sporters twee of drie keer op een dag worden gecontroleerd.

Volgens Van Heijningen wordt binnen de FINA gezocht naar alternatieven voor het whereabouts-systeem. Eén mogelijkheid is het bloedpaspoort, zoals Cavic bijhoudt op internet. „Als transparantie zijn intentie is, verdient hij applaus.”

Maar volgens de dopingspecialisten van de FINA zitten er nogal wat haken en ogen aan het organiseren van regelmatige bloedmetingen. „Het levert veel praktische problemen op, omdat de sporters over de hele wereld reizen voor hun trainingen en wedstrijden”, zegt Van Heijningen. „Wie moet die controles gaan uitvoeren? En waar gebeurt dat?”

Ook is er nog een medisch probleem. „Een momentopname van het bloed van een persoon geeft geen garantie voor de langere termijn. Ook het tijdstip van de dag of de fase van de carrière waarin een atleet zit zijn bepalend voor de waardes die je vastlegt. Dus de structurele waarde van die informatie uit die tests is beperkt.”

Omdat een beter systeem voor de whereabouts er nog niet is, kunnen controleurs sporters blijven bestoken met verrassingsaanvallen. Marleen Veldhuis ondervond dat anderhalf jaar geleden, toen zij op weg was naar het sportgala, waar zij zou worden verkozen tot sportvrouw van 2007, terwijl bij haar thuis voor de deur een dopingcontroleur stond.

De sporters zullen het er voorlopig mee moeten doen. „Schone sport is zo belangrijk, en we hebben op dit moment nog geen alternatief. Dan zul je door moeten gaan met wat we aan het doen zijn”, aldus Van Heijningen.

Dit is deel zeven in een serie over doping. Lees eerdere delen via nrc.nl/sport