Kunstig bewerkte paardentand

De extreem omvangrijke 19de-eeuwse collectie prehistorische kunst van verzamelaar Edouard Piette is sinds kort weer, op afspraak, te bezichtigen in een museum nabij Parijs.

„Houdt u van prehistorie?” Een kleine man in een lange donkere jas laat in het Musée d’Archéologie nationale in de westelijke Parijse voorstad Saint Germain-en-Laye een zelf gemaakt tijdschrift zien. „Heel bijzonder, hiervan zijn er maar honderd,” zegt hij. Zijn huisvlijt bevat echter beschrijvingen van een prehistorische vindplaats. Hij is een amateur die over prehistorie schrijft, vertelt hij desgevraagd. Ook hij is afgekomen op de mogelijkheid om eindelijk weer eens de negentiende-eeuwse collectie prehistorische kunst van Edouard Piette (1827-1906) in volle glorie te kunnen bekijken.

Piette, van huis uit jurist, is al 44 jaar oud als hij vanwege een gezondheidskuur enige tijd in de Pyreneeën moet doorbrengen. In eerste instantie interesseert hij zich vooral voor de geologie van het gebied, maar al snel gaat hij als amateur in grotten onderzoek doen naar prehistorische vindplaatsen. Vanaf het begin heeft hij succes, want hij ontdekt vele bewerkte botten, geweien en stenen die tien- tot dertigduizend jaar oud zijn. Hij werkt wel samen met conservatoren van musea, maar omdat hij zijn opgravingen zelf bekostigt, worden alle vondsten zijn eigendom. Bij zijn laatste opgravingscampagne van 1894 tot 1897 in de Grotte du Pape in Brassempouy doet hij een van zijn belangrijkste ontdekkingen: een vrouwenhoofd gemaakt van mammoetivoor, nu bekend als de ‘Dame de Brassempouy’.

Musea in Berlijn en Wenen bieden hem in die jaren veel geld om zijn topcollectie te verkopen, maar Piette is te patriottistisch om op die lucratieve aanbiedingen in te gaan. Hij wil alles aan de Franse staat schenken, maar wel op enkele voorwaarden. Zo moet voor altijd de hele collectie in één zaal en volgens zijn inzichten en ordening getoond worden. Na lange onderhandelingen komt alles in 1904 terecht in het nationaal museum in Saint Germain-en-Laye.

Na honderd jaar was alles aan restauratie toe, en daarom waren de afgelopen vier jaar alleen enkele replica’s van de bijzonderste vondsten in de vaste opstelling van het museum te zien. Sinds kort is het weer mogelijk om – op afspraak, onder begeleiding en in groepen van maximaal negentien bezoekers – de in oude luister herstelde collectie te bekijken.

De elegant geklede, grijsharige rondleidster komt gehaast aanlopen. „Ik kon de sleutels zo snel niet vinden.” Ze gaat de bezoekers – vijf deze keer – voor, loopt twee statige trappen op en vertelt intussen over het kasteel, waarin het museum is gevestigd en dat in 1539 door koning Frans I is gebouwd. Vandaar de letter F op de deur van de ‘Zaal Piette’.

Binnen heersen de museale inzichten van de vroege twintigste eeuw. „Wat een overdaad”, is de eerste indruk bij het zien van tienduizend voorwerpen verdeeld over liggende en staande vitrines met eikenhouten onderstellen.

De rap Frans sprekende rondleidster richt met aanwijsstok snel en enthousiast de aandacht op specifieke voorwerpen en sprekende details zoals de spieren en haren op een beeldje van een bizon, een vijf centimeter grote paardentand die veranderd is in een Giacometti-vrouw met hangborsten, een minuscuul hoofdje van een hinnikend paard, compleet met blootliggende tanden en plat liggende oren, en een serene vossekop aan het uiteinde van een van rendiergewei gemaakte katapult voor een werpspeer. Vanaf een ander stuk gewei kijkt een met enkele halen schetsmatig weergegeven hert de bezoeker recht aan. De weergave van een ontmoeting tussen mens en dier, elfduizend jaar geleden? Het zijn vooral dieren die zijn afgebeeld, en daarom valt die ene bloem op een stuk bot extra op. Met veel gevoel zijn op een volgend stuk bot de pezige achterpoten van een rendier afgebeeld. In perspectief ligt achter het dier een zwangere vrouw op haar rug. Naar de betekenis is het gissen.

In een achthoekige vitrine staan de beroemdste stukken uit Piette’s collectie, de vrouwenbeelden. Bovenin staan de dikbuikige spekstenen Venusbeeldjes. Ze komen uit de Italiaanse Balzi Rossi-grotten, nabij de Franse grens. „Een van de weinige dingen die niet door Piette zijn gevonden, maar gekocht”, zegt de rondleidster.

In het midden het hoofdje dat de affiches in de buurt van het museum siert: la Dame de Brassempouy, hét portret van de paleolithische vrouw. Wonderlijk hoe krachtig en levendig een amper vier centimeter hoog hoofdje kan zijn.

Voldaan verlaten de bezoekers na anderhalf uur de zaal. Pal naast de deur staat het marmeren portret van Piette – ook een voorwaarde. Met een tevreden blik.

Musée d’Archéologie nationale, Château, Place Charles de Gaulle, Saint Germain-en-Laye. Inl. +33 (0) 1 39101300 (museum). musee-antiquitesnationales.fr