Het zie-je-wel-je-kunt-het-wel-gevoel

Hoe word je gelukkig in drie weken? Vandaag: bewegen is goed voor je.

Runningtherapie helpt mensen met een depressie of persoonlijkheidsstoornis.

Het zie-je-wel-je-kunt-wel-gevoel. Illustratie Hajo Hajo

Twee rondjes hardlopen, dan één rondje rustig aan. Mark (34) rent in korte broek over de binnenbocht van de atletiekbaan in Arnhem. Je had hem een paar maanden geleden moeten zien, zegt hij: een wereld van verschil met vandaag. „Eerst sjeesde ik over de baan. Al snel kreeg ik last van mijn knieën. Dat is dus precies mijn probleem, ik ben grenzeloos. Ik kan en durf mijn eigen grenzen niet aan te geven.”

Nu, na vijf maanden, weet Mark zijn tempo beter te controleren. Hij loopt dan ook niet zomaar hard: samen met negen anderen volgt hij de wekelijkse runningtherapie van ggz-instelling De Gelderse Roos. Vandaag is het zonnig. Voel maar even aan de baan, zegt begeleider en fysiotherapeut Bjorn van Rees bij de warming-up: die is opgewarmd door de zon.

De warming-up doet de groep gezamenlijk: een paar rondjes over de baan. Bjorn van Rees doet alles voor: huppelen, even flink met die armen zwaaien: vooruit, achteruit. Hakken-billen, hakken-billen.

Dan begint het ‘echte’ hardlopen. Iedereen volgt een eigen, individueel trainingsprogramma. Het gaat hier duidelijk niet om hoe hard je rent: de één rent een half rondje, en wandelt de andere helft. De ander jogt in een heel rustig tempo vijftig minuten achter elkaar.

Marjolein, een kleine kordate vrouw, komt pas na de gezamenlijke warming-up de baan op snellen. Het klinkt een beetje gek, zegt ze, om drie uur ’s middags, maar ze had zich verslapen. Drie keer in de week volgt ze een zware elektroshocktherapie, dat is flink vermoeiend. Toch is ze op de fiets gesprongen toen ze wakker schrok, want het hardlopen bevalt haar wel: „Even niet zo gericht met therapie of jezelf bezig, maar gewoon lekker bewegen.”

Begeleider Van Rees is allang blij dat ze er is. Het moeilijkste bij deze groep mensen is ervoor zorgen dat ze blijven komen, vertelt hij. Alle lopers in zijn groep hebben een persoonlijkheidsstoornis, of zijn depressief. De meesten volgen meerdere keren in de week intensieve therapie, sommigen zijn ambulant. „Als je depressief bent, is een boodschap bij de supermarkt al te veel gevraagd. Laat staan zo’n middag als deze, het kan iets zijn om als een berg tegenop te zien.”

Maar áls het de deelnemers lukt om er elke week te zijn, dan zien ze al snel het voordeel van de runningtherapie. Je voelt je lekkerder door hardlopen, vertelt Hanna. Zij loopt vijftig minuten achter elkaar hard, in een heel rustig tempo.

Thuis loopt ze ook nog twee keer per week: „Je lichaam maakt endorfine aan, waardoor je je beter voelt.” Bovendien verlengt Hanna haar schema elke keer met twee minuten. „Snel gaat het niet, en ik moet nog zien of ik het in de winter ook volhoud”, zegt ze, maar een trots glimlachje kan ze niet onderdrukken.

Hanna schetst precies het tweeledige profijt dat je van de hardlooptherapie kunt hebben, vertelt Simon van Woerkom. Hij schreef vorig jaar samen met psychiater Bram Bakker het zelfhulpboek Runningtherapie. Het eerste is het lichamelijke effect: door het rennen raakt je hormoonhuishouding beter op orde, en een tijdelijk hogere hartslag – zo tussen de 100 en 130 slagen per minuut – is ook goed voor je lichaam.

Daarnaast is het psychologische effect minstens zo belangrijk. Het zie-je-wel-je-kunt-het-wel-gevoel treedt op, als je net even langer rent dan de vorige keer, of als je toch bent gekomen, terwijl je afspraken normaal maar moeilijk nakomt. „Dan is het de truc die succesbeleving te vertalen naar het dagelijks leven.” Voor cliënten met een lichte, niet chronische depressie, kan hardlopen zelfs een vervanging voor medicijnen zijn, zegt Van Woerkom.

Voor de deelnemers van deze hardlooptherapie is het lopen vooral een goede aanvulling op hun bestaande therapie, zegt fysiotherapeut Van Rees. Daar is Mark een mooi voorbeeld van. Hij vertelt hoe hij zich in het dagelijks leven snel onzeker, minderwaardig voelde. Maar bij het hardlopen praat hij wel gemakkelijk.

Tijdens de training zoekt hij de andere lopers veel op: dan kletst hij even met een dame die in een rustig tempo loopt, dan weer wandelt hij een halve ronde met een jongen met een petje mee. „Hier leg je zo gemakkelijk contact. Ik ben gaan zien dat ik niet per se minder ben dan anderen.” De laatste tijd voelt hij zich ook „in de echte wereld” steeds meer op zijn gemak.

Mark heeft deze week zijn laatste dag in zijn therapiegroep – hij blijft nog wel naar de runningtherapie komen. Totdat hij ook zelfstandig twee of drie keer per week rent – dat doet hij nog lang niet elke week, weet begeleider Van Rees. Dat herkent hij trouwens wel, zegt hij: er zijn meer excuses te bedenken om niet te gaan, dan om die sportschoenen wel aan te trekken. „Ik heb ook vaak geen zin. Maar ik weet dat ik nog nooit achteraf heb gedacht: dit had ik nou niet moeten doen, het is dom dat ik gegaan ben. Je voelt je altijd beter.”

Bij de 22-jarige Marije moet dat besef nog komen. Ze vindt er niet zoveel aan, dat rennen, bekent ze tijdens de kop thee, die de deelnemers na afloop van de training met elkaar drinken. „Ik doe het alleen omdat mijn lichaam uit zichzelf geen endorfine aanmaakt. Maar ik voel me nu niet echt beter”, zegt ze met een rood hoofd.

Dat komt echt nog wel, probeert Daniël, een ervaren loper, haar te overtuigen: „Het is pas je tweede keer, je gaat het vanzelf leuk vinden.”