Het centrum wijkt. Situatie uitstekend?

‘Heel ons fundament kraakt.” Dit citaat gebruikt René Cuperus als motto voor het inleidend hoofdstuk van zijn onlangs verschenen boek De wereldburger bestaat niet. Hij noemt mij als auteur van dit citaat. Inderdaad luidt de titel van een in 2003 uitgekomen bloemlezing uit mijn artikelen zo, maar die titel ontleende ik aan een uitspraak van Pascal. Hém komt dus de eer toe. (Overigens eindigde die uitspraak aldus: „Laten wij dus geen zekerheid en geen vastheid zoeken!”)

Maar ik wil het nu niet over dit citaat hebben, maar over Cuperus’ boek of eigenlijk: niet het hele boek, maar de samenvattende epiloog. Hierin neemt hij als uitgangspunt een artikel dat Thijs Wöltgens, fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer van 1989 tot 1994, kort voor zijn dood schreef en dat in deze krant verscheen (12 april 2008).

Eerlijk gezegd was dit artikel mij indertijd ontgaan of was de betekenis ervan toen niet tot mij doorgedrongen. Cuperus (die verbonden is aan de Wiardi Beckman Stichting, de denktank van de PvdA) maakt mij er nu attent op. Het bevat inderdaad een interessante en actuele these, die Cuperus verder uitwerkt.

Eerst een korte samenvatting van Wöltgens’ these: de middenklasse, die de ruggengraat is van elke democratische samenleving, is de laatste jaren dramatisch gekrompen. Zij voelt zich in haar welvaart bedreigd en is onzeker. Aangezien de stemming van de middenklasse de barometer is voor het humeur van de hele samenleving, is de hele samenleving onzeker.

Achteraf gezien had Wöltgens’ analyse ook voorspellende waarde. Nadat de PvdA, die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog deel van de middenklasse was geworden, in 2002 zware verliezen door Pim Fortuyn waren toegebracht, werd zij bij de Europese verkiezingen, na een tussentijdse opkrabbeling, opnieuw „zwaar geteisterd” (uitspraak in het laatste nummer van Socialisme & Democratie).

De partij is „niet meer geworteld in de sferen van productie, transport, commercie, industrie en zakelijke dienstverlening”. Haar leden zijn „overwegend afkomstig uit de werelden van de ambtenarij, de wetenschap en het welzijnswerk” (andere uitspraken in S&D), hoger- en hoogopgeleiden dus. Waar zijn de lageropgeleiden gebleven, die, vroeger arbeiders genoemd, de raison d’être van de partij waren? Die stemmen óf niet óf op wat, niet helemaal juist, rechts genoemd wordt (Fortuyn of Wilders).

Een soortgelijke ontwikkeling doet zich bij andere sociaal-democratische partijen in Europa voor. Zelfs in Amerika. Daar heeft het socialisme weliswaar nooit wortel geschoten, maar bij de laatste verkiezingen stemden de blanke blue-collar workers (industriearbeiders) overwegend op McCain, niet op Obama. Zij hebben de pest aan de liberals, die in Obama hun idool zien, en kunnen, als Obama er niet in slaagt zijn beloften waar te maken, nog een bedreiging voor hem vormen.

Het is dus een niet uitsluitend Nederlands verschijnsel, maar daar wij in Nederland wonen, raakt de vorm waarin het zich hier manifesteert, ons het meest. Welnu – en nu volg ik Cuperus’ uitwerking van Wöltgens’ these – ook bij ons is er een arbeidersklasse die „goeddeels middenklasse geworden” is en nu bang is dat zij weer „onderklasse wordt”, en de partij de rug toekeert omdat de liberals die de partij beheersen, haar niet voldoende steunen tegen allochtone concurrentie.

Evenals Wöltgens beschouwt Cuperus de ontwikkelingen en spanningen binnen de PvdA als „pars pro toto voor wat zich in de Nederlandse en Europese samenleving afspeelt”. Een „bijna-uiteenvallen van de sociaal-democratie” ziet hij als een „voorafschaduwing van het uiteenvallen van de Nederlandse samenleving”.

En: „Daar waar de PvdA en haar Europese zusterpartijen hoger- en lageropgeleiden steeds moeilijker met elkaar kunnen verbinden, is dat een alarmerende voorbode voor de toekomst van Europa.” Als dit zo is, kan ook niet-sociaal-democraten – ja, allen die niet aansturen op een chaotisering van de samenleving – de crisis binnen die partijen niet onverschillig laten.

Terecht ziet Cuperus de opstand van de lageropgeleiden (ook wel populisme genoemd) niet als een „onschuldig, tijdelijk verschijnsel”, dat door betere campagnes en helderder boodschappen uit de wereld geholpen kan worden. Dat is allemaal kurieren am Symptom, oplappen van een oude machine. Maar of Cuperus’ recepten: „Koester de nationale democratie en nationale verzorgingsstaat; voorkom permanente veranderings- en moderniseringsdruk” voldoende zijn? Het eerste recept is trouwens ook moeilijk met het Europese ideaal in overeenstemming te brengen.

Maar we kunnen deze ontwikkeling, die voor de tijdgenoot inderdaad alarmerende trekken heeft, ook vanaf grotere afstand bekijken. Kleine kinderen worden groot en verlaten het nest. Bijna ieder gezin heeft wel te maken met kinderen die zich van het ouderlijk gezag bevrijden, eigen wegen inslaan en keuzen maken die voor de ouders alarmerend zijn. Waarom zou het in de politiek wezenlijk anders zijn? Die mogelijkheid ligt in het begrip emancipatie besloten, dat ook de PvdA aanhangt. Niet zo lang geleden heeft zich dit verschijnsel ook in de Rooms-Katholieke Kerk voorgedaan – met dramatische gevolgen voor Nederlands grootste partij, de Katholieke Volkspartij. Die viel van 31,9 procent in 1963 op 17,7 procent in 1972 – een bijna-halvering in nog geen tien jaar. Toen ging zij op in het CDA, dat in 1981 weer de grootste partij werd. Is de PvdA soepel genoeg om uit dit voorbeeld lering te trekken?

Of kan zij inspiratie vinden in de woorden die de Franse generaal Foch tijdens de beslissende slag aan de Marne (1914) aan zijn hoofdkwartier seinde: „Mijn centrum wijkt, mijn rechterflank trekt terug. Situatie uitstekend. Ik ga tot aanval over”? Foch won de slag.

Reageren kan via dezerdagen@nrc.nl of nrc.nl/heldring