Eh

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Iedereen was vol van het magische spel dat Oranje op het WK van 1974 in West-Duitsland liet zien. Mijn neef Mustapha en Kemal de Turk waren supporters van het Braziliaanse elftal, en lieten geen moment voorbij gaan om mij te laten weten dat dit team het arrogante Nederland in de pan zou hakken. Omdat ik nog steeds Nederlandse les volgde bij mevrouw Hannie dachten ze dat ik de grootste fan van Oranje zou zijn. Maar aan voetbal dacht ik in die tijd niet. Het enige waar ik vol van was, was Jolanda.

Het was vakantietijd en de haven stroomde weer vol met scholieren. De weken vooraf had ik bijna elke nacht wakker gelegen: komt Jolanda wel of niet terug?

Op de eerste dag dat de scholieren aan het werk gingen, moest ik om de haverklap naar het toilet. Mijn urine was door de zenuwen zo helder als kraanwater. Mijn collega’s en de chef scholden mij uit omdat ik constant wegliep en nauwelijks met mijn hoofd bij het werk was. Van iedereen kreeg ik een portie scheldwoorden naar mijn hoofd geslingerd: Nederlandse, Marokkaanse en Turkse. Ik schold niet terug, ik wilde alleen weten wanneer het pauze was, zodat ik naar de kantine kon om te zien of Jolanda terug was.

Toen de bel klonk om de lunch aan te geven, holde ik naar de kantine, en duwde iedereen weg die ik op mijn pad tegenkwam. Bij de ingang bleef ik staan en keek om mij heen. Ik ging de gezichten van de vrouwelijke vakantiekrachten één voor één af. Hoe meer gezichten ik afwerkte, hoe groter mijn paniek werd. Ik bad tot God: Ya Rabih, oh God, laat mijn Jolanda hier tussen zitten.

Ik had de hoop al opgegeven toen achterin de kantine een reusachtige scholier van zijn stoel opstond en wegliep. De rug van de reus was een muur waar nog een paar scholieren achter schuil gingen.

Ik kreeg een brok in mijn keel. „Jolanda,” zuchtte ik.

Daar zat ze, nog even mooi zoals ik mij haar herinnerde.

Ik ging aan de andere kant van de kantine aan een tafeltje zitten. Mustapha en Kemal schoven bij mij aan en begonnen direct over de superieure kwaliteiten van het Braziliaanse elftal te praten. „Cruijff zero”, zei Mustapha en keek om zich heen of zijn Nederlandse collega’s hem wel gehoord hadden. „Cruijff hondenlul.” Daarna hoorde ik Mustapha noch Kemal. Ik had alleen nog aandacht voor Jolanda. Voor het eerst in mijn leven wilde ik een meisje zijn, en wel het meisje waarmee Jolanda zo ongedwongen aan het lachen en het praten was. Ik zou het zelfs niet erg vinden om de stoel te zijn waar ze op zat.

Tegen het einde van de pauze zat Jolanda alleen. Dit was de kans waar ik een jaar lang op had gewacht. Mijn mislukt optreden van vorig jaar moest gewroken worden. Dankzij mijn lessen Nederlands had ik een tekst voorbereid die mij niet met een mond vol tanden zou laten staan.

Ik nam plaats op de plek van de reus, en stak van wal: „Lieve Jolanda, mijn naam is Driss Tafersiti. Ik hou van jou. Ik droom elke dag van jou. Ik eet niet. Ik slaap niet. Want jij zit in mijn hoofd. Wil je alsjeblieft, echt alsjeblieft, koffie drinken met mij?”

Jolanda’s mond viel open. Ze keek me aan alsof ik een dorpsgek was. Het enige wat ze uit kon brengen was: „Eh...”