De merknaam oké, maar de rest hoeven we niet

De oprichters van het failliete Oilily proberen het merk nieuw leven in te blazen.

Behalve het ontwerp wordt elke activiteit uitbesteed.

In de door onkruid overwoekerde tuin van het voormalige hoofdkantoor van kledingbedrijf Oilily op het industrieterrein Beverkoog in Alkmaar staat een groot bord: ‘te huur: kantoorruimte’. Het parkeerterrein is vrijwel leeg. Maar toch, binnenin het pand, kiemt nieuw leven. Oilily, het bekende kleurrijke merk van kinderkleding dat op 6 april failliet ging, wordt hier van de grond af opnieuw opgebouwd.

Willem Olsthoorn (70), die Oilily in 1963 samen met zijn vrouw Marieke oprichtte, kocht alleen de merknaam uit de failliete boedel. Hij wil zijn imperium, dat hij in 2003 verkocht aan ABN Amro en investeringsmaatschappij H2 Equity Partners, weer nieuw leven inblazen. Zoon Geert (41) is benoemd tot directeur van het nieuwe bedrijf Oilily World.

„Een doorstart zat er niet in”, zegt Geert Olsthoorn in de voormalige showroom van het pand. Het is ingericht als tijdelijk kantoor, tussen de kledingrekken en de planken met tassen langs de muur. „Dat betekent ook het bedrijf voortzetten zoals het was, en dat wilden wij niet. Oilily had een enorme organisatie, met onderdelen voor productie, distributie, verkoopnetwerk en administratie. Dat past niet meer bij deze tijd.”

De werknemers van het nieuwe Oilily bestaan uit drie van de vier kinderen van Willem Olsthoorn, hun aanhang en enkele ontwerpers. Het wordt een klein kernbedrijf, dat productie, distributie en verkoop overlaat aan licentiehouders. Brecht Olsthoorn, die zelf in 1994 het kinderkledingmerk Room Seven oprichtte, heeft de licentie voor de nieuwe baby-en kinderkleding van Oilily gekregen. Zij krijgt ook de leiding over het ontwerp van deze collecties en via het netwerk van Room Seven zal de kleding vervolgens bij de klant aanbelanden.

Intussen heeft Oilily ontwerpster Wilma Groot ingehuurd voor de nieuwe vrouwencollectie. „Het streven van Room Seven is om winter 2010 met de eerste nieuwe Oilily-kindercollectie te komen. De damescollectie is dan zeker nog niet klaar.” Volgens Eva Guldemond, redacteur kindermode bij het vakblad Textilia, is het „gewaagd om twee seizoenen niet met een collectie te komen. Er valt een enorm gat. Hoe doe je dat als winkelier? In het derde seizoen weer budget vrijmaken voor Oilily en dan maar hopen dat dit dezelfde omzet en rendement gaat opleveren als de vervangen collectie?”

Guldemond denkt dat Oilily onder de vlag van de familie Olsthoorn beter zal gedijen. Oilily zal niet meer zo groot worden als voor het faillissement, denkt ze. „Dat hoeft misschien ook niet. Oilily dacht groter dan het was, maar het is geen wereldmerk. Het is kleinschalig, met een collectie voor een kleine doelgroep.”

Een nieuwe kledingcollectie mag nog ontbreken, de verkoop van tassen, schoenen, horloges, cosmetica en schoolspullen loopt door. Deze accessoires bleven buiten het faillissement doordat de merknaam Oillily hiervoor al in licentie was gegeven aan het eveneens Alkmaarse bedrijf Colorful Licenses. Directeur Cees Homburg, die meer dan 4.000 winkels bevoorraadt, zegt dat de verkoop van Oilily-artikelen nog steeds goed loopt. „We hebben geen last van het faillissement.”

Homburg was de laatste jaren minder tevreden over de ontwerpen van het merk. Hij is „zeer enthousiast” dat Oilily terug is bij de familie Olsthoorn. Dat de kleding tijdelijk niet verkrijgbaar is, ziet Homburg niet als een probleem. „Die rek zit er wel in. Maar het moet niet veel langer duren dan herfst 2010.”

Geert Olsthoorn vertrok in 2006 bij Oillily omdat hij het oneens was met de koers van het bedrijf. „Alle grote modemerken geven hun producten in licentie. Mijn advies aan de directie was om dat ook te doen voor bepaalde productgroepen, maar zij legden het naast zich neer. Ze hadden andere besognes aan hun hoofd en dachten nog steeds dat ze alles in eigen hand konden houden. Ik was er allang achter dat je dat niet kon volhouden.”

Olsthoorn begon na zijn vertrek samen met zijn vrouw Anke van der Endt, die als freelancer veel werk als ontwerper voor Oilily had gedaan, voor zichzelf. De rest besteedde Olsthoorn uit.

Dan schuift vader Willem Olsthoorn aan bij het gesprek. Waarom heeft hij zijn bedrijf ooit verkocht, heeft hij daar nooit spijt van gehad? „Op dat moment was het een verstandig besluit”, zegt hij. „Achteromkijken heeft niet zo’n zin. Misschien had ik het nooit moeten doen, al is het nooit zeker dat het dan wel goed gegaan was.”

Olsthoorn verkocht zijn bedrijf in 2003 min of meer gedwongen, omdat het anders weer op de fles zou gaan, net als eerder in 1981 gebeurde. Olsthoorn bleef ook na de verkoop van Oilily de grootste aandeelhouder, met 45 procent van de aandelen. ABN Amro en H2 Equity Partners hadden respectievelijk 40 en 15 procent, maar trokken samen op en hadden dus feitelijk de doorslaggevende stem. „Daar win je het dan toch niet van.”

H2 en ABN hebben wel goed werk verricht, zegt Geert Olsthoorn. „Ze sneden al het vet eraf.” Maar het ging mis omdat ze „helemaal niets” in productontwikkeling staken. „Ze hadden er geen kijk op en geen smaak voor. Mode is toch een kwestie van smaak, en als je die niet hebt, dan sla je de plank mis.”

Een van de partners van H2 Equity, Age Hollander, kocht Oilily begin dit jaar samen met zijn vrouw Lea Ward. Maar nog geen twee maanden later moest Hollander faillissement aanvragen. „Hij heeft zich er volledig op verkeken. Hij heeft er een hoop geld in gestopt en dat is hij nu kwijt.”

Age Hollander praat liever niet met de pers over Oilily. „Voor ons is er geen enkel belang meer om te praten met de media. Onze tijd is voorbij. Ik wens de nieuwe eigenaren veel geluk met het bedrijf.”

Hollander en zijn vrouw wilden het bedrijf weer vlottrekken, maar het tij zat tegen. De kledingbranche boekte omzetverliezen van 20 procent, maar Oilily’s omzet ging met meer dan de helft achteruit. Daar viel niet meer tegenop te knokken. Het ging te snel en dus zagen Hollander en zijn vrouw zich genoodzaakt de stekker eruit te trekken.

De curator heeft nog altijd geen faillissementsverslag uitgebracht. Daarmee is de schuldvraag nog open. Wel is duidelijk dat er onverstandige beslissingen zijn genomen. „De verhuizing van het hoofdkantoor naar Amsterdam en het invoeren van een nieuw computersysteem heeft een paar miljoen gekost”, weet Willem Olsthoorn, „Op een moment dat het bedrijf niet echt geld over had.”

Het bedrijf is nu terug bij af. Het is weer in handen van de oprichtersfamilie en hetzelfde oude hoofdkantoor in Alkmaar, waar de oude rode letters Oilily nog aan de gevel hangen, is weer betrokken.

Kan Oilily weer uit zijn as herrijzen? Willem Olsthoorn: „Het zou mij verbazen als het niet zou lukken, het merk is nog steeds populair.”