Bewonderen kan, kopiëren wordt lastig

Is het Noordse economische model een voorbeeld? De propagandisten prijzen het egalitarisme, de culturele homogeniteit, de openheid. Maar de critici zeggen dat de massa-immigratie het model ontwricht.

Idar Kreutzer, die aan het hoofd staat van de grootste Noordse levensverzekeraar, was onlangs in New York toen een hoge functionaris van een grote Amerikaanse bank hem uitnodigde voor een kort gesprek. Dat liep snel uit op een twee uur durende discussie over het Noordse bedrijfsmodel en de verscheidenheid in bedrijvigheid. „Het verbaast mij, die belangstelling voor en nieuwsgierigheid naar het Noordse model”, zegt Kreutzer, topman van het Noorse Storebrand.

Het kapitalistische model dat in zwang is in Zweden, Noorwegen, Denemarken en Finland wordt door sommigen gezien als een van de weinige winnaars van de huidige economische en financiële crisis. Van het antwoord op de bankencrisis tot de bevordering van vrouwen in de bestuurskamers, roept het Noordse model belangstelling op in de hele wereld, op dezelfde manier als dat is gebeurd met het Japanse model in de jaren tachtig en met het Duitse model in de jaren zestig.

Net zoals Duitsland en Japan voor uitdagingen kwamen te staan, geldt dat ook voor Scandinavië. Er is twijfel over de vraag hoe makkelijk het zich naar andere delen van de wereld laat exporteren. Maar uit de recente benoeming van Carl-Henric Svanberg van het Zweedse telecommunicatieconcern Ericsson tot president-commissaris van het Britse energieconcern BP – waardoor hij zich kon scharen bij twee andere Noordse toplieden van grote Britse bedrijven – blijkt het toenemende respect voor het Noordse kapitalisme en zijn leiders.

Een van die twee anderen, Jorma Ollila, die als president-commissaris bij Shell en bij Nokia geldt als een van de meest vooraanstaande Noordse zakenmensen, zegt dat het model een mogelijke weg voorwaarts biedt voor een mondiaal systeem dat zichzelf wil hervormen. „Wat is de toekomst van het kapitalisme? Op de een of andere manier is het antwoord daarop dat je precies die kwesties moet oplossen waar het Noordse model goed in is”, zegt hij. „Het Noordse model maakt een goede kans” het beste systeem te zijn.

De meningen lopen uiteen waar het Noordse model precies voor staat. Maar Ollila wijst op de analyse van een groep academici uit de regio die een boek heeft geschreven met als titel The Nordic Model. Deze wetenschappers betogen dat het kapitalisme van de regio wordt gekarakteriseerd door een openheid voor globalisering, in samenhang met een sterke sociale bescherming en egalitarisme.

Francis Sejersted, een Noors historicus en voormalig voorzitter van het Nobelprijscomité van het land, heeft het over „democratisch kapitalisme”, waarmee hij doelt op een hoge mate van gelijkheid en deelname aan besluitvormingsprocessen, zowel in de politiek als in het bedrijfsleven.

Matti Alahuhta, de topman van liftproducent Kone, het op één na grootste bedrijf van Finland, zegt dat het ontbreken van een grote binnenlandse markt een noodzaak heeft gemaakt van de Noordse openheid voor globalisering. „De omvang van de markt in Finland is heel klein, zodat het niet zo moeilijk is om te beseffen dat je in het buitenland moet groeien.”

Kone zelf heeft die groei aangegrepen op markten als Azië en de Verenigde Staten, grotendeels op dezelfde manier als Nokia onder Jorma Ollila dat de afgelopen vijftien jaar op de mobieletelefoonmarkt heeft gedaan. Andere bedrijven uit de regio zijn wereldleiders geworden, van SKF op het gebied van kogellagers tot Husqvarna op de markt voor kettingzagen.

De Noordse landen zijn zich ook bewust van de schaduwkant van de globalisering en nemen maatregelen om die te verzachten. Kreutzer: „Het is nodig om individuen op te vangen die zijn beschadigd door zaken die juist goed zijn voor bedrijven of de samenleving.” Hij wijst op de werknemers in de papiersector, die hun fabrieken gesloten zagen worden, maar in staat waren op nieuwere technologieën over te stappen.

Daaraan ten grondslag ligt een diep geworteld egalitarisme, met name in het onderwijssysteem. Ollila wijst op de afwezigheid van klassenverschillen als een factor, anders dan in Engeland en elders: „Iedereen kan een goede opleiding krijgen, wat zijn of haar achtergrond ook is. Het gaat er niet om wie je bent, maar om wat je kunt bijdragen.”

Dat strekt zich ook uit tot de bestuurskamers, waar Noorwegen, dankzij een wet voor quota voor vrouwen, het hoogste percentage vrouwelijke topbestuurders ter wereld telt, terwijl Zweden, Finland en Denemarken eveneens betrekkelijk goed voor de dag komen.

Maar dit diep gekoesterde egalitarisme maakt het Noordse model ook lastig om te exporteren. Alahuhta legt uit hoe moeilijk zijn bedrijf het heeft gehad in landen als het Verenigd Koninkrijk, waar Kone in de jaren negentig flink is gegroeid, om zijn werknemers ertoe te brengen de niet-hiërarchische manier van doen van de Noordse bedrijven over te nemen. „Het egalitarisme is heel belangrijk voor ons. Deze cultuur is de lijm die Kone bij elkaar houdt”, zegt hij.

De managementsalarissen weerspiegelen dezelfde tendens. Veel Noordse bedrijven betalen hun hogere personeel minder dan het internationale gemiddelde, uit angst dat de inkomenskloof tussen de hoogste en de laagste verdieners te groot wordt. Anne Breiby, commissaris bij diverse bedrijven in Noorwegen, zegt: „In de meeste Noordse landen zijn de inkomensverschillen klein. De mensen gaan naar dezelfde scholen. Er zijn geen echte klassenverschillen.”

Zweedse managers, in de regio de best betaalde, verdienen maar eenderde van wat hun Duitse collega’s ontvangen, terwijl Noorse managers, die de laagste salarissen uitbetaald krijgen, gewoonlijk maar 340.000 tot 450.000 euro verdienen. Het ontbreken van hiërarchische verhoudingen bij bedrijven strekt zich uit tot aan de top. Kreutzer legt uit hoe zijn werknemers „gewoon op zijn deur komen kloppen”. Hij vervolgt: „Ze voelen zich verantwoordelijk voor het bedrijf. En ik wil altijd de ongepolijste waarheid horen.”

Inspraak van de werknemers in de strategie van bedrijven is een belangrijke factor. Werknemers zitten in de besturen van veel Noordse bedrijven, dankzij de zware aanwezigheid van de vakbonden. Managers zeggen dat de verhoudingen de laatste jaren zijn verbeterd, waardoor bedrijven grote saneringen hebben kunnen doorvoeren met medewerking van de werknemers. Jorgen Buhl Rasmussen, topman van de Deense bierbrouwer Carlsberg, zegt: „Ik denk dat beide partijen elkaar vandaag de dag beter begrijpen: het gaat minder over conflicten. Het is vrij makkelijk om in goede tijden extra personeel aan te trekken, maar ook om neerwaartse aanpassingen door te voeren in minder goede tijden.”

Als de vraag bij een bedrijf met 30 procent is gedaald, overleggen bestuurders en werknemers of ze hetzelfde percentage banen moeten schrappen dan wel 60 procent van de personeelsleden nog maar de halve tijd moeten laten werken, zegt commissaris Breiby bij wijze van voorbeeld. Ze voegt eraan toe: „Er hebben echt volwassen gesprekken plaats tussen het management en het personeel. Zij lossen het probleem samen op.”

Pontus Braunerhjelm, hoogleraar economie aan het Zweedse Koninklijke Instituut voor Technologie, zegt dat het succes van de Noordse bedrijven erop duidt dat hun informele managementstijl een concurrentievoordeel vertegenwoordigt. Maar nu bedrijven als Nokia en Ericsson in de hele wereld zijn gegroeid, blijkt dat niet iedereen de Scandinavische werkwijze kan waarderen. „Mensen uit andere culturen vinden het vaak een beetje ondoorzichtig wie nu precies de verantwoordelijkheid heeft, en wat de opdracht en de doelstelling zijn”, zegt hij.

Sommige critici betwijfelen of het Noordse kapitalisme wel zo uniek is als zijn propagandisten beweren, en wijzen erop dat de regio de terugtocht heeft geblazen bij een aantal van de kenmerken die hem afwijkend maakten. „Noordse bedrijven zijn helemaal niet zo verschillend van die in andere delen van Europa”, zegt Fredrick Erixon, directeur van het Europese Centrum voor Internationale Politieke Economie, een denktank voor de vrije markt, die is gevestigd in Stockholm en Brussel. „Zij worden gedreven door dezelfde krachten als elders.”

In plaats van hun model naar de rest van de wereld te exporteren, proberen sommige Noordse landen juist hun economieën te reorganiseren en elementen van het Angelsaksische systeem te importeren. In Zweden is bijvoorbeeld sinds 2006 een centrum-rechtse regering aan de macht, met een mandaat om de belastingdruk in het land, een van de hoogste in Europa, te verminderen en de arbeidsmarkt flexibeler te maken.

De regio is tevens van oudsher afhankelijk geweest van grote bedrijven en slecht geweest in het in het leven roepen van kleinere bedrijvigheid – een nadeel als het gaat om het scheppen van werkgelegenheid. Het royale sociale veiligheidsnet dat ten grondslag ligt aan het Noordse kapitalisme staat tegelijkertijd onder toenemende druk van een vergrijzende bevolking. En de culturele homogeniteit die het op consensus gebaseerde systeem mogelijk maakt, wordt ontwricht door de toenemende immigratie. „Er zijn bepaalde zwakheden in het Noordse model, die momenteel een ‘stresstest’ van de globalisering ondergaan”, zegt professor Braunerhjelm.

Uit economische gegevens blijkt dat de Noordse landen het tijdens de huidige crisis tot nu toe nauwelijks beter, en in sommige gevallen slechter, hebben gedaan dan de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Noordse producenten hebben net zo agressief als elders banen geschrapt, waardoor de werkloosheid in Zweden en Finland tot boven de 9 procent is opgelopen. Economen voorspellen dat de Zweedse economie dit jaar met 6 procent zal krimpen tegenover een krimp van 5,6 procent van de Britse economie.

Maar hoewel de regio niet immuun is gebleken voor de crisis, hebben de Noordse landen een goede staat van dienst als het gaat om het sterker terugkomen uit een roerige periode. Zweden is lang een rolmodel geweest door zijn succesvolle antwoord op een regionale bankencrisis begin jaren negentig. Dat antwoord bestond uit een mengeling van gedwongen herkapitaliseringen en nationalisaties.

Dit succes wordt enigszins ondermijnd door een nieuwe stortvloed van slechte kredieten voor de Zweedse banken die zwaar hebben geleend aan de nu noodlijdende Baltische landen. Maar Ollila zegt dat er nog steeds lering kan worden getrokken uit de manier waarop de Noordse landen hun crisis in de jaren negentig te lijf zijn gegaan. Politici kozen niet voor protectionisme en hebben stoutmoedige besluiten genomen: Zweden en Finland vroegen midden in die crisis het lidmaatschap van de Europese Unie aan.

Ollila hoopt dat de beleidsmakers nu voor dezelfde onzelfzuchtige aanpak zullen kiezen: „Het staat bovenaan mijn verlanglijstje voor Europa. Je kijkt niet naar hoe goed je zelf bent, maar naar de wereld als geheel.”

Voor deze open aanpak valt in de huidige crisis misschien veel te zeggen. Maar hoewel het voor buitenlanders als een Amerikaanse bankier interessant kan zijn naar het Noordse model te kijken, blijkt het moeilijk dat model te kopiëren. Eén leidende figuur uit het Noordse zakenleven zegt dat het kapitalisme van de regio niet kan worden geëxporteerd, omdat het zo is geworteld in de tradities van de landen: „Je hebt het over kleine, egalitaire landen met goede onderwijssystemen. Dat is vrijwel nergens anders in de wereld van toepassing. Je kunt het dus wel bewonderen, maar het is lastig om het te kopiëren.”

© Financial Times Vertaling: Menno Grootveld