Zijn we nog wel als Romeo en Juliet?

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ de vraag: hoe definiëren wij onszelf?

Aflevering 6: de mens als minnaar.

In een grote Amerikaanse slee rijden Sandy en Danny in de laatste scène van Grease (1978) samen naar de hemel. Dat ze samen een gelukkig liefdespaar zouden vormen, was al op te maken uit eerdere scènes waarin ze zongen over warme zomernachten. Wat Sandy (Olivia Newton John) en Danny (John Travolta) voor mijn generatie zijn, zijn Kate Winslet (Rose) en Leonardo da Caprio (Jack) voor een andere.

Liefde is samen op de boeg van een grote boot staan die op het punt staat te zinken, je armen spreiden en roepen: ‘I am the King of the World!’ (Titanic, 1997).

Films, boeken en series vormen de romantische blauwdruk van de menselijke zoektocht naar liefde. Als we ergens naar op zoek zijn in het leven, dan is het immers wel de liefde. De meesten van ons streven ernaar om van een single een double te worden – zie de vele zelfhulpboeken die ons helpen bij het zoeken naar de ware. En meteen onder onze naam vermelden we op allerlei identiteitsformulieren onze burgerlijke status, net als op Facebook en op Hyves (‘single’, ‘relatie’, ‘het is ingewikkeld’, ‘getrouwd’).

Waarom is liefde zo cruciaal voor onze identiteit? We menen dat liefde ons ‘compleet’ maakt en, als we het niet vinden, dat we falen in het leven. De Duitse filosoof Richard David Pecht (1964) zei onlangs naar aanleiding van zijn boek Liebe. Ein Unordentliches Gefühl (2009): „Liefde is niet alles in het leven, maar zonder liefde is alles niets.” Zonder liefde, ben je niets.

Misschien is liefde zo belangrijk voor mensen, omdat kenmerkend voor de liefde is dat er een ander is die je bestaan erkent. Jij hebt mij lief, dus ik ben. Volgens de Franse filosoof Emmanuel Lévinas (1906-1995) is in het westerse denken het belang van deze Ander echter stelselmatig veronachtzaamd. In de westerse filosofie staat immers altijd het ego centraal, zoals in Descartes’ ‘ik denk, dus ik ben’ (Lévinas noemt dit „egologie”).

Het ‘ik’ is in de westerse wijsbegeerte zelfs het centrum van het denken, voelen en handelen. In zijn filosofie van de alteriteit plaatst Lévinas de Ander centraal. In plaats van de Ander te willen bezitten of veroveren (‘jij bent van mij, dus ik ben’), zou je het anders-zijn van de Ander – datgene wat je dus zelf niet bent – moeten erkennen. Het gelaat van de ander doet een moreel appèl op je en doet zo het ego vergeten.

Voor Lévinas vindt moraal dan ook zijn oorsprong in de verantwoordelijkheid voor de Ander. Daarmee staan zijn ideeën haaks op die van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) die de oorsprong van de moraal juist lokaliseert in een –rationele, principiële en universele – plicht die het individu zichzelf oplegt. Voor Lévinas is moraal nu juist niet zelfopgelegd: ze komt voort uit compassie en liefde voor een Ander.

Zo bezien is de liefde, die meestal via het gelaat tot stand komt (‘liefde op het eerste gezicht’), het ultieme appèl van de Ander op je ego. Die morele verbondenheid met de ander komt tot uitdrukking in een gedachte-experiment van de Britse filosoof Bernard Williams (1929-2003). Stel er zitten twee mensen op een boot: je geliefde en een onbekende. De boot gaat zinken, beiden kunnen niet zwemmen en jij mag één iemand redden. Wie kies je? De meesten zullen dit een non-dilemma vinden: je geliefde natuurlijk! Maar wat is daarvoor de reden? Dat het je geliefde is. Oftewel: de liefde is de reden.

In The Reasons of Love (2004) stelt ook de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt (1929) dat de liefde zich voornamelijk concentreert op de ander en het ego kleiner maakt. Sterker nog, in Frankfurts definitie van de liefde, werkt een teveel aan ‘ego’ vervuilend. Volgens hem is ware liefde voor de ander namelijk grotendeels belangeloos.

Dat wil zeggen, je hebt geen andere doelen of externe redenen voor je liefde (status of geld) – het gaat dus niet om bezitsdrift. Ten tweede gaat het speciaal om deze persoon en die is niet zomaar vervangbaar; het gaat dus niet om een type. In dat opzicht is Theo van Goghs uitspraak ‘ik val alleen op meisjes met pennyshoes en parelkettingen’ een uitspraak die betrekking heeft op lust, niet op liefde.

Ten derde worden de belangen van de geliefde de jouwe. Als je geliefde lijdt, wil je dat oplossen. Jij lijdt daar ook onder. Ten vierde werkt ‘de wil’ niet op volle kracht. Het is niet aan ons wat we liefhebben en wat niet. Je kiest niet voor liefde, de liefde kiest jou. Liefde is dus niet te koop, al vormt liefde wel een markt. Je kunt als man bijvoorbeeld een girlfriend experience kopen, maar omdat je haar gekocht hebt, is de ervaring niet echt.

Tot slot heeft liefde één belang: ze hoopt op op beantwoording, op wederkerigheid. Je hebt dus lief, omdat je in je liefde beantwoord wilt worden. Daarin verschilt de liefde voor een ander dus van de liefde voor een zaak of ding: die geven niets terug.

Nu gaan veel films, boeken en liedjes niet alleen over de poging de ware te vinden, maar net zo vaak over het stranden daarvan. Wie alleen roddelbladen zou lezen, zou zelfs kunnen denken dat de wereld bestaat uit liefdespech en dat overspel en tranen onafwendbaar zijn. Denk aan de stiekeme kussen tussen Yolanthe Cabau van Kasbergen en Wesley Sneijder gesnapt in een garage of Georgina Verbaan en Pieter van de Wielen betrapt in een donker café.

De beelden zijn niet helemaal duidelijk: ze zijn met een mobieltje of een beveiligingscamera gefilmd. Het zijn ongeoorloofde overspelige kussen die zich letterlijk en figuurlijk in de schemerruimte van de liefde afspelen.

Waarom gaat het zo vaak mis? Met Lévinas in gedachten zou je kunnen zeggen dat het toebehoren aan een ander tegenwoordig uit zwang is geraakt, juist door het individualisme dat het westerse gedachtegoed zo kenmerkt. Mensen geven vaak aan alleen een relatie te willen als ze ‘zichzelf’ kunnen blijven en geven het voor het mislukken van de liefde vaak als reden: ‘ik kon mezelf niet zijn’. Daarom gaan mensen misschien steeds vaker uit elkaar: jezelf zijn wordt opgevat als apart staan van anderen – niet ermee samensmelten.

Volgens sommige filosofen is Levinas’ notie van zelfverlies ten behoeve van de ander echter een romantische, corrumperende illusie. Friedrich Nietzsche (1844-1900) bijvoorbeeld, meende dat liefde altijd gaat over „woeste hebzucht” en „egoïsme”. Het is niet zo dat je verdwijnt ten behoeve van de ander, maar eerder dat een andere, verbeterde, maar leugenachtige versie van jou zichzelf manifesteert om die ander te imponeren en in bezit te krijgen.

Of, zoals Nietzsche zegt: „De liefde is de toestand waarin de mens de dingen het meest ziet zoals ze niet zijn. De liefde brengt de nobele en verborgen eigenschappen in een minnaar naar boven, zijn zeldzame en uitzonderlijke karaktertrekken: zij geeft dus waarschijnlijk een vertekend beeld van zijn ware karakter.” Liefde maakt blind, heet dat in de volksmond, omdat niet mijn waarachtige ik, maar mijn ik 2.0 liefheeft, en die super-ik verslapt na loop van tijd en blijft altijd hongeren naar nieuwe bevestiging.

Daarom hebben andere filosofen pogingen ondernomen om de mens te bevrijden uit de ‘romantische leugen’ en te accepteren dat het ego ruimte behoeft. Simone de Beauvoir (1908-1986) en Jean-Paul Sartre (1905-1980) bijvoorbeeld hadden een open relatie. Hun visie op liefde kwam voort uit hun existentialistische levensfilosofie. Liefhebben? Dat is elkaar van de vrijheid beroven!

In De Tweede Sekse (1949) stelt De Beauvoir daarom dat de vrouw niet aan de man toebehoort, maar aan zichzelf – en dat het klassieke huwelijk tussen man en vrouw als een fuik kan werken, omdat de vrouw hier in een economisch afhankelijke positie van de man terechtkomt die kan overslaan op het innerlijk.

Hazel Rowley laat in de dubbelbiografie Tète-à-tète. Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre. Portret van een relatie (2006) echter zien dat ook een open relatie geen garantie biedt – voor individuele onafhankelijkheid noch voor geluk in de liefde. Als er iemand profiteerde van het ‘vrije huwelijk’, dan was het namelijk Sartre, die er vele liefjes op na hield, terwijl de Beauvoir vooral leed.

Daarbij vergeleken lijkt hét iconische Levinaanse paar van de liefde, Romeo and Juliet, een vrij overzichtelijke probleem te hebben: zij willen volkomen in elkaar opgaan, elkaars naam zijn. Hun conflict bestaat ‘louter’ uit dwarsliggende families, maar ligt niet diep in henzelf. Maar voor de moderne mens blijft het in de liefde toch schipperen tussen het ego en de ander.