Zee tegen kwaadsappigheid

Een houten huisje met vier badkamertjes en een wachtruimte, meer was het niet: het badhuis dat ondernemer Jacob Pronk (1762-1838) in 1818 aan het strand van Scheveningen liet bouwen. In elk van de badkamers stond een kuip met verwarmd zeewater. Ook had Pronk voor twee koetsen gezorgd, waarmee badgasten over strand naar zee konden worden gereden.

Het badhuis bleek een gat in de markt. Dat was niet zo gek: in Engeland en België was baden in zee al langer populair onder de elite, die dacht dat zeewater heilzaam werkte (zelfs koning George III probeerde van zijn ziekelijke aandoeningen te herstellen door regelmatig een plonsje te pikken).

In Nederland ontpopte de Arnhemse arts dr. Moll zich als warm pleitbezorger voor ‘Pronkenburg’, zoals het badhuis al snel werd genoemd. Moll hield zijn vooraanstaande patiënten voor dat zeewater goed was tegen ‘hardhoorigheid, kwaadsappigheid en bloedopeenhooping naar het hoofd’.

Toen de gemeente Scheveningen doorkreeg dat op het strand geld was te verdienen, werd Pronk voor een riant bedrag uitgekocht. Een Stedelijk Badhuis verrees op de plek waar in 1885 het statige Kurhaus zijn deuren zou openen. In die periode gingen mensen niet alleen meer naar het strand om te genezen, maar ook om zich te vermaken. Langs de Hollandse en Zeeuwse kust – door de komst van goede wegen en moderne transportmiddelen inmiddels makkelijk bereikbaar – schoten strandhotels en -paviljoens als paddenstoelen uit de grond.

In de twintigste eeuw vonden ook minder welgestelden hun weg naar het strand, nadat vakbonden het ‘recht op verlof’ met succes hadden bevochten. Voortaan werkten arbeiders het hele jaar hard om in de zomer op een welverdiende vakantie te kunnen gaan. Het massatoerisme in eigen land was hiermee een feit. En toen moesten de Duitse badgasten nog komen.

Het kon niet op voor de Nederlandse toerisme-industrie; ’s zomers was het moeilijk om door alle roodbruine lijven het strand nog te zien. Dat lijkt voorbij te zijn: onderzoek van het Nederlands Bureau voor Toerisme wijst uit dat bezoek aan het Nederlandse strand de laatste jaren met 10 procent is afgenomen.

Aan de Turkse Rivièra rekent een plaatselijke Jacob Pronk zich rijk.

Jaap Cohen