Wát zeg je, pannenkoek?

Eén van de eigenaardigheden van Amsterdam is, dat het er volkomen acceptabel is om toeristen hardhandig van het fietspad te duwen. Ik moet toegeven dat ik me ook vaak erger aan het massale gedraal waarmee ze opstoppingen veroorzaken. Maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat die irritatie meestal het gevolg is van een lichte jaloezie.

Niets is immers vervelender dan lanterfantende mensen als je zelf geplaagd wordt door deadlines of de algehele verveling van de dagelijkse sleur. Toch vraag ik me vaak genoeg af waarom Amsterdammers hun bezoekers zo terroriseren. Zouden wij het zelf fijn vinden om reeds bij aankomst in een vreemde stad geschoffeerd te worden door taxichauffeurs, die te lui zijn om onze koffers in de achterbak te hijsen en ons alleen maar mee willen nemen als ons hotel op z’n minst veertig minuten rijden is? Ik denk toch echt van niet.

Wat bijvoorbeeld te denken van een Duits echtpaar van zekere leeftijd, dat in een winkel aan de Leidsestraat op hun allerbeleefdst de weg naar het Leidseplein vroeg. De winkeltante had kunnen volstaan met ‘immer gerade aus’, maar ze koos ervoor te roepen; „Wát zeg je, Pannenkoek? Je bent in Nederland hoor, ik versta je niet!”, een leugen die haar meer tijd kostte te formuleren dan eenvoudig de weg te wijzen.

Het echtpaar stond al snel weer op straat, bedremmeld om zich heen te kijken, en je kan er donder op zeggen dat ze terstond gezakkenrold danwel door een kwaaie Amsterdammer opzij geduwd werden.

Het ultieme bewijs van de grootsteedse arrogantie vond ik laatst in de ‘huisregels’ van een bar. ‘Smile when you order your drinks,’ stond er. ‘And maybe we will smile back.’ Want; glimlachen naar je klanten als je hun drankjes inschenkt, daar moet je als Amsterdams horecapersoneel toch niet aan dénken.

Arme, arme toeristen. Ik schaam me soms echt een beetje voor mijn stad. Om een en ander een beetje goed te maken, schiet ik buitenlandse bezoekers zo nu en dan – ongevraagd – te hulp. Als ik iemand zoekend om zich heen zie kijken, stop ik even en vraag waar hij moet zijn.

Het is niet verwonderlijk dat ik meestal geen antwoord krijg. De reactie die ik tot nu toe het vaakst oproep met mijn hulpvaardigheid, is een angstig wegvluchten, zonder om te kijken. Bang dat ik ze al wegwijzend van hun portemonnee beroof, zeker. Of dat ze in dat moment van onoplettendheid weer van het fietspad geduwd worden.

Schrijfster Karin Amatmoekrim vervangt Aaf, die met vakantie is.