Straks bepaalt de auteur welke kennis zinvol is

Volledige openbaarmaking van wetenschappelijke publicaties kan ertoe leiden dat auteurs veel meer macht krijgen dan nu. Dat is niet zonder risico, meent Jan P. Vandenbroucke.

Op het eerste gezicht lijkt er geen zinnig argument in te brengen tegen de roep om totale openbaarheid van wetenschappelijke publicaties (NRC Handelsblad, 1 augustus). Echter, er zijn mogelijke onvermoede gevolgen. Die hebben te maken met het financieringsmodel. Het maken van een vooraanstaand wetenschappelijk tijdschrift kost (veel) geld. Het voorstel om volledige openbaarheid mogelijk te maken betekent dat niet langer de lezer een abonnement neemt, maar dat de auteur het tijdschrift moet betalen om zijn artikel gepubliceerd te krijgen. Dat betekent dat een wetenschapper extra geld (naast zijn salaris en geld voor onderzoek) nodig heeft om zijn artikelen te publiceren.

De vraag is waar dat extra geld vandaan moet komen. Het kan worden overgeheveld van het budget van de bibliotheken, die tot op heden de abonnementen betalen, naar het budget van de wetenschapper. Dat biedt de mogelijkheid tot volledige openbaarheid van de publicaties.

Dit betekent echter een machtsverschuiving van abonnee naar auteur, want die betaalt en beslist dus. Als de lezer betaalt is het voor de redactie gemakkelijk om het been stijf te houden naar auteurs toe wanneer de vereiste kwaliteit niet wordt gehaald, of om eisen te stellen van maatschappelijke verantwoording. Zo zorgden belangrijke medische tijdschriften er in het verleden voor dat toetsing door commissies medische ethiek verplicht werd, anders publiceren ze het artikel niet. Ze roepen auteurs ook tot de orde als achteraf belangenconflicten blijken te bestaan. Vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften geven richting aan wetenschap: ze roepen regeringen ter verantwoording over hun wetenschapsbeleid of over het gezondheidszorgbeleid en geven bijvoorbeeld extra aandacht aan artikelen over gevaren van het roken. De lezers kunnen het beleid van de redactie goed- of afkeuren door het nemen of opzeggen van een abonnement. De meest vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften (zoals Nature) zijn immers vooral gericht op lezers: per week een nummer met een beperkt aantal uitverkoren artikelen. Maar het meest gelezen zijn echter de extra pagina’s met nieuws, duiding en opinie.

Dat ligt totaal anders bij tijdschriften die zich richten op een heel beperkt vakgebied, waar auteurs en lezers min of meer samenvallen. Die zijn een vergaarbak van verslaglegging over onderzoek voor ingewijden. Deze tijdschriften vergen hoogstens een deeltijds hoofdredacteur en een elektronisch systeem om artikelen rond te sturen naar beoordelaars en vervolgens op de site te zetten. Ze zijn goedkoop om te maken, omdat ze vooral gebruik maken van onbetaald werk van onderzoekers die het vooral om de eer te doen is. Deze tijdschriften zouden kunnen voortbestaan in een systeem waarin de auteur betaalt. Eisen dat alle wetenschap volledig toegankelijk is, komt neer op het eisen van een financieringsmodel met betalende auteurs. Dat gaat ervan uit dat alle wetenschappelijke tijdschriften tot het tweede type behoren. En gaat voorbij aan de extra functies van de vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften: nieuwsgaring, opinievorming en richting geven aan wetenschap. Het grootste risico van betalende auteurs is dat het been stijf houden tegenover hen veel moeilijker wordt – dat geeft immers meteen minder inkomen voor het tijdschrift. Wetenschap wordt dan wel openbaar, maar het publiceren wordt bepaald door het belang van de auteurs of van hun financiers.

Jan P. Vandenbroucke is Akademiehoogleraar en hoogleraar klinische epidemiologie aan het Leids Universitair Medisch Centrum.