Nachtelijke ontmoeting

Er komt een glimlachende man op me af.

Hoewel de afstand tussen ons nog groot is, schijnt hij mij te herkennen. Hij wuift uitbundig.

Ik kijk achterom maar zoals de dialoog van onze voetstappen al verried, zijn wij de enigen die om drie uur ’s nachts voorbij het station wandelen.

Hij denkt dat ik het omkijken van zo even humoristisch heb bedoeld en lacht nu kort met geluid.

Ik weet niet wiens lach dit is, het naderende gezicht roept geen naam op.

Maar ik ben niet goed met namen en gezichten. Vermoedelijk ook niet met gelach.

Misschien is het een schande dat ik hem niet ken, is hij iemand met wie ik meer dan één keer sprak. Misschien is het iemand met wie ik kennissen deel.

Paniek overvalt mij.

Hij zal mij van arrogantie of dementie verdenken en zijn weg gekwetst vervolgen. De volgende nacht dat we elkaar kruisen, zal hij vol van minachting zijn hoofd van me wegdraaien en kwaad op de grond spuwen.

Maar misschien klopt deze eenrichtingherkenning.

Misschien is hij een lezer. Dat gebeurt wel eens, dat iemand onverwachts zegt: „Ik heb je boek gelezen.”

‘Boeken’ zelfs.

Als zo’n lezer daarna zwijgt, krijg ik het benauwd. Als hij me looft, gaat mijn opluchting snel over naar de vraag hoe vaak ik ‘Dat is leuk om te horen’ kan herhalen zonder krankzinnig over te komen.

Deze keer kan ik mijn lezer vertellen dat ik enkel nog leef om te schrijven en dat dat niet zo dramatisch is, dat dat beter is voor mij, en wie weet ook voor hem.

De lachende man opent zijn armen.

Misschien is hij als die op het eerste gezicht perfecte jongeman, die beweerde zo plots zo verliefd op mij te zijn geworden.

Degene die ik niet meer belde omdat ik hem liever in mijn verleden liet hangen als iets wat geen kwaad heeft voortgebracht.

(Zoals ik de braambessen in mijn tuin niet durf te plukken omdat ik ze door spinnen laat bewaken, en omdat ze zuur zouden kunnen zijn als ik het er toch op waagde.)

Misschien wandelt er nu en dan zo eentje voorbij en is het deze keer de lachende man die zijn pas versnelt.

Hij komt tot stilstand.

Drie stoeptegels verder kijk ik toe hoe hij verschrikt een hand over zijn glimlach legt.

„O, sorry”, zegt hij achter die hand. „Ik dacht dat je iemand anders was.”