Hoofdstuk 1

Het ging niet goed met me na de dood van mijn allerliefste kauwvrouwtje Leonoor, die te pletter was gevlogen tegen een geluidsscherm langs de A4. En daarna door een necrofiele woerd was verkracht.* Die woerd was ziekenbroeder van het Vogels en Uilen Ziekenhuis van J.J. Bosuil, aan de rand van het Amsterdamse Bos.

Dat ik inmiddels wraak had genomen op die verdorven eend was niet genoeg. Ik werd somberder en lustelozer. Ook regelmatige bezoekjes aan de ravenkolonie in het zuidoosten van het bos, waar de prachtig dikbebilde ebbenzwart gevederde ravin Ladysoul mannenbezoek ontving, boden geen troost. Ik voelde me moe. Zwak. Somber.

„Jack”, zei de buurkauw, „je bent ziek. Je moet naar het ziekenhuis. Laat je nakijken.”

Ze had gelijk. Ik kwam mijn nest bijna niet meer uit. Ik vloog amper nog.

Maar om weer naar dat VU-ziekenhuis te gaan... Daar was de hele ellende met Leonoortje begonnen, toen ze zich niet goed voelde. De hele ziekenhuissfeer stond me tegen. En om nu weer die J.J. Bosuil onder ogen te komen…

„Ze hebben daar meer dokters dan alleen die bosuil. Ga, anders ben jij straks ook definitief uit de lucht”, zei mijn buurkauw.

Ze had gelijk. Het was zoals Kanye West zong: I can’t live my life like this anymore. En zo kwam het dat ik op een grijze, druilerige zomerochtend – het weer zat ook niet mee – met mijn laatste krachten mijn holle boom in het Amsterdamse Bos verliet en naar het VU-ziekenhuis vloog. Nou ja, vloog. Het was meer fladderen.

Het was er weer een drukte van belang. Grijze duiven met ontstoken poten, meeuwen uit Scheveningen en Zandvoort met plastic sixpacksringen om de nek en aamborstige merels.

Toen ik aan de beurt was, bleek J.J. Bosuil er gelukkig niet te zijn. Die had verlof, omdat hij druk was met een promotietoer voor zijn nieuwe boek ´Binnen de veren’. Wat hij overdag meemaakte in zijn ziekenhuis, beschreef hij ’s nachts („Ik ben een nachtdier”) in series dikke boeken, waarvan ‘De Praktijk’ het populairst was. Leonoortje had ze verslonden. Ik vond er niks aan.

„Ik keek de patiënt zwijgend lang en doordringend aan en verroerde me niet. Daarna vloog ik naar het IJ om mijn pijp eens uit te kloppen.” Dat soort zinnen. Niets voor mij.

De dienstdoende arts was dokter Huis, een manke mus met priemende oogjes. Hij hoorde mijn klachten aan. Loerde in mijn lichtblauwe ogen. Voelde met zijn pootje mijn kauwenpols. En zei toen: „Je moet een paar dagen de lucht uit, Jack. Je gaat naar onze een speciale rustafdeling ter observatie.”

Wordt vervolgd

*Zie ‘Komt een kauwtje bij de dokter’ in deze krant, 8-12 juni.

Muziek bij deze aflevering: nrc.nl/achterpagina