Het had een feest moeten worden

Sphinx is een begrip in Maastricht en is in belangrijke mate met de geschiedenis van de Limburgse stad verweven.

De sluiting van het bedrijf komt als een grote verrassing.

Een feestelijke vooruitblik moet het worden. In de monumentale burgemeesterskamer ontvangt het gemeentebestuur van Maastricht op 24 mei de directie van Koninklijke Sphinx BV. Er zal met haar gesproken worden over het 175-jarig bestaan van de onderneming komend najaar.

Maar al snel valt over de ontmoeting een schaduw. De directie vertelt aan de aanwezige burgemeester en twee wethouders dat het met Sphinx beroerd gaat.

Dat het bedrijf kort daarop zal aankondigen te stoppen met de productie van wc-potten en wastafels, daar heeft het gemeentebestuur geen idee van; een paar weken later al belt de directie met burgemeester Gerd Leers over haar voornemen Sphinx te sluiten. Het komt volkomen onverwacht.

Ook Henk van Rees van FNV Bondgenoten zegt „volledig overvallen” te zijn door de sluiting. „Ik wist dat het Finse moederbedrijf Sanitec in de problemen zat. Meestal zijn het de zwakke bedrijven die afvallen. Maar dit is in de eerste keer in mijn 25 jaar bij de vakbond dat een van de modernste bedrijven ter wereld wordt geslachtofferd.”

Er volgt overleg. Minister Maria van der Hoeven (Economische Zaken , CDA), oud-gemeenteraadslid van Maastricht, belt tijdens haar vakantie twee keer met wethouder Winants (CDA), met een oproep alles te doen om Sphinx open te houden.

De gemeente trekt waar mogelijk op met vakbonden en de ondernemingsraad en probeert ook op andere manieren duidelijkheid te krijgen over wat er nog kan.

FNV’er Van Rees kent de verhalen die de ronde doen. Moederbedrijf Sanitec, zelf eigendom van een private-equityfirma, zou alleen uit zijn geweest op het merk Sphinx. Gebruik makend van de band tussen stad en onderneming zou het bedrijf 45 miljoen euro aan overheidsgeld hebben losgekregen voor een nieuwe vestiging in 2007. En nu, ruim twee jaar na de feestelijke opening in aanwezigheid van koningin Beatrix, zou de apparatuur naar Finland gaan.

De FNV en de ondernemingsraad van Sphinx hebben „een gerenommeerd bureau” in de arm genomen om de waarheid boven tafel te krijgen. Van Rees: „Duidelijk is al dat het die yuppen in Finland er alleen maar om te doen is geld te verdienen op de korte termijn. Met het product, de mensen en de geschiedenis hebben ze helemaal geen affiniteit.”

Sphinx heeft altijd een speciale plek in het hart van de Maastrichtenaren ingenomen, zegt de Maastrichtse historicus Jac van den Boogard. „Het is wel een haat-liefdeverhouding. De slechte arbeidsomstandigheden onder de zonen van oprichter Petrus Regout hebben het bedrijfsimago langdurig inktzwart gekleurd.” De Eiffel, het hoge, witte fabrieksgebouw dat de noordkant van de binnenstad domineert, is veel Maastrichtenaren bovendien een doorn in het oog. Van den Boogard koestert het juist: „Het hele Sphinx-complex is uniek, omdat er uit elke fase van de industriegeschiedenis iets is terug te vinden.”

Juist deze plek verliet Sphinx ruim twee jaar geleden. De gebouwen voldeden niet meer aan de moderne bedrijfseisen. Ook de gemeente zag de onderneming graag vertrekken. Met behoud van het industriële erfgoed kon dan een begin worden gemaakt met de ontwikkeling van een groot stadsvernieuwingsproject.

De gemeente kocht Sphinx uit voor 45 miljoen euro. Daarvan was 22 miljoen bestemd voor een nieuwe fabriek in het industriegebied Beatrixhaven en 23 miljoen voor een sociaal plan, omdat voor de meeste personeelsleden geen plek meer was in de gerobotiseerde onderneming.

Volgens wethouder Winants legde de gemeente in de overeenkomst met Sphinx vast dat het geld pas zou worden overgemaakt, als de ovens in de nieuwe fabriek geïnstalleerd waren. Clausules over een vertrek binnen een paar jaar werden niet opgenomen. Winants weigert te geloven in opzet. „De robots zijn misschien verplaatsbaar. De ovens niet of nauwelijks.”

Ed Everts, productiedirecteur van Sphinx in Maastricht, begrijpt alle emoties, maar vindt dat ze een rationele benadering in de weg zitten. „Toekomstperspectieven hoor ik niet van de bonden en de gemeente. Als ze nu verrast zijn, hebben ze wat aan de oren gehad. ”

Everts trad in de zomer van 2007 aan, nadat vier managers hun tanden hadden stuk gebeten op de bedrijfsvoering. „Na twee maanden was me duidelijk dat de calculatie van de kostprijs per product in de nieuwe fabriek niet deugde. Sociale lasten van personeel en waterverbruik, maar ook investeringskosten waren niet meegenomen. Na een nieuwe berekening kwam ik op een 25 procent hogere kostprijs en dat bij volledige bezetting. Kostentechnisch had de capaciteit trouwens ruim anderhalf keer zo groot moeten zijn. Sanitec wilden destijds niet investeren in een nieuwe fabriek. Ze wilden alleen toestemmen als Maastricht en Sphinx het zelf bekostigden. Die hebben kennelijk om sentimentele redenen minder scherp op de cijfers gelet.”

Van volledige bezetting (600.000 stuks) is het in de Beatrixhaven nooit gekomen. Dit jaar produceert Sphinx nog 340.000 eenheden. De prognoses voor volgend jaar gaan uit van 300.000. Voor de crisis bestonden er plannen om de productie van andere Sanitec-dochters in Maastricht te laten plaatsvinden, maar dat is met de huidige vraaguitval niet meer nodig. Stopzetting van de productie is volgens Everts de enige optie. Op 1 november stopt het bedrijf er wat hem betreft mee. Verder rekken gaat ten koste van het geld dat beschikbaar is om het personeel aan ander werk te helpen en nog even door te betalen. Dat Sanitec de lachende derde is, doet de directeur af als onzin: „Van de fabriek is nog maar twee jaar afgeschreven en er is nauwelijks apparatuur verplaatsbaar. Bovendien, ook de andere bedrijven kampen op dit moment met overcapaciteit.”

Het droevige einde gaat ook Everts aan het hart, al ging het volgens hem eigenlijk al eerder fout. „Sphinx was zó ontzettend rijk. Ooit hadden ze honderd miljoen gulden reserve. Toen ze werden overgenomen door Sanitec was er door mismanagement sprake van een schuld van honderd miljoen euro. Het bedrijf is het slachtoffer geworden van de hoogmoedswaanzin en arrogantie van vorige directies. De omzet moest en zou destijds naar een miljard gulden. Nou, omzet kun je kopen, winst niet. In het buitenland is de ene slechte fabriek na de andere opgekocht. Die zijn allemaal ten onder gegaan, waarbij nog eens veel geld is uitgegeven aan sociale plannen. De verantwoordelijke managers zijn met gigantische bedragen vertrokken.”