'Juist gekke details maken een muziekstuk boeiend'

Pianist/musicoloog Charles Rosen (82) is legendarisch als uitvoerder van en denker over muziek. Deze week geeft hij een concert, lezing en masterclass in Groningen.

Vraag om het even welke pianist of muziekwetenschapper welk boek over de tijd van Mozart, Haydn en Beethoven niet in zijn kast mag ontbreken, en het antwoord zal gelijkluidend zijn. The Classical Style (1971) van de New Yorkse pianist/onderzoeker Charles Rosen is een ‘classic’ omdat in een extreem heldere, toegankelijke stijl wetenschap en uitvoeringspraktijk met elkaar worden samengebracht. Dat gold ook voor zijn werken als Sonata Forms en The Romantic Generation. Goed, je moet noten kunnen lezen om hem te volgen, dat wel.

Rosen – alleen in zijn tred en mompelende spraak herkenbaar als oude man – was een wonderkind. Dat hij na de Juilliard School of Music aan Princeton promoveerde in de Romanistiek, was puur omdat die beurs in zijn levensonderhoud voorzag en hem dus in staat stelde vier uur per dag piano te studeren. „In welk vak ik promoveerde kon me niet schelen; ik werd toch pianist. De docent Romanistiek was de slimste, daarom koos ik hem.”

De New York Times noemde Rosen onlangs nog zo scherp dat „een vlieg aan de wand van zijn brein zou smeken om genade.” Maar wie hem deze week treft als docent of spreker op het Peter de Grote Festival in Groningen, kan opgelucht adem halen. Als spreker is Rosen is vooral een innemend encyclopedisch anekdotecanon.

Op een conferentie van het Nexus Instituut spreekt u begin september over kunst als redder van menselijke waardigheid. Hoe ziet u dat?

,,Het lijkt me duidelijk dat de kunst in elk geval niet in dat streven is geslaagd. En dat mijn opinie er dus niet wezenlijk toe doet.”

U gelooft niet dat kunst verheft?

„Dat is net zo’n vraag als: is voedsel voedzaam? Natuurlijk kunnen mensen zich beter voelen door kunst. Maar de vraag is: hoe werkt dat? Ook weerzinwekkende kunst kan op een vreemde manier verheffen. Neem de slotscène uit Strauss’ opera Salome. Toen Strauss dat werk zelf dirigeerde en de sopraan naar zijn smaak al te heftig met het hoofd van Johannes de Doper bezig was, zei hij: ‘Doe niet! De muziek is hier al weerzinwekkend genoeg!’ Dat is ook zo. En toch gaat er ook een enorme passie van uit. Zo is het vaak geweest: veel kunst is onplezierig en onbegrijpelijk voor velen, maar er kan desondanks toch een enorme kracht vanuit gaan.”

Onbegrijpelijkheid diskwalificeert niet?

,,Zeker niet. Stéphane Mallarmé is algemeen geaccepteerd als een van de belangrijkste dichters van de tweede helft van de 19de eeuw, maar 95 procent van de doctoraalstudenten in Frankrijk snappen niets van zijn poëzie. Het criterium voor echt belangrijke kunst is niet dat velen het „wel oké” vinden, maar dat weinigen er een moord voor doen. Dat geldt voor muziek ook. Muziek waar mensen niet zonder kunnen leven, blijft bestaan. Al zijn de liefhebbers maar met zijn twaalven.”

Maakt dat dat u het als musicus als een morele plicht ziet de muziek uit te voeren waarin u gelooft?

,,Nee, ik speel geen muziek waarvan ik denk dat niemand die wil horen. Het is meer zoals de dichter Wordsworth zei: goede kunst creëert zijn eigen publiek. TS Eliot – daar vonden ook velen niks aan. Maar zelf ben ik dankbaar dat ik uit mijn kinderjaren nog heel veel van zijn gedichten uit mijn hoofd ken. Mijn geheugen is gelukkig nog goed. Twee koppen koffie per dag werken tegen Alzheimer, las ik ergens. Ik drink er drie.”

En omdat u van koffie houdt, weet u – las ik ergens – óók alles over koffiebonen. U publiceerde over muziek, beeldende kunst, literatuur. Wat interesseert u eigenlijk niet?

„Aanvullend: ik weet ook alles van kaas, haha. Maar scheikunde bij voorbeeld, interesseert me niets.”

Over muziek die u niet boeit, schrijft u niet. Ik kan een prikkelend lijstje maken. Sjostakovitsj, Messiaen…

„Ik ken zeer goede musici die Messiaen goed vinden, dus zijn muziek zal dat ook zijn. Alleen ík interesseer me er niet voor. Goede muziekstukken zijn voor mij als goede grappen: onverslijtbaar. Ken je die van mevrouw Polak die naar het circus ging? Zij kwam daar en zei verbolgen: ,,Ik heb wel eens grotere dwergen gezien!” haha, zie je? Hij blijft grappig. Zo ook Mozart en Beethoven, die blijven me verrassen, hoe vaak ik hun muziek ook speel. Maar Skrjabin, Reger, Cesar Franck, Fauré – dat is een soort vage tonaliteit waar ik niet van houd.”

Wagner?

,,Ach! (gaat achter de vleugel zitten en speelt het voorpel tot Tristan und Isolde) Die muziek is toch niet vaag? Wagner was in mijn jeugd mijn lievelingscomponist. Maar ik wil niet meer naar de opera. In mijn jeugd draaide opera om zangers, daarna gingen dirigenten de dienst uitmaken en nu zijn het de regisseurs. Vroeger moest de regisseur ervoor zorgen dat de zangers niet tegen op het toneel elkaar op liepen – en dat was het. Dat beviel mij eerlijk gezegd beter.”

In de New York Review of Books schrijft u stukken van vijfduizend woorden over Montaigne, componist Elliott Carter, W.H. Austen. Verdieping tegen de trend des tijds in?

,,Nee, ik maak me daar geen zorgen over. Voor kwaliteit en goede, diepgravende artikelen zal altijd een publiek bestaan.”

In uw boek ‘The Frontiers of Meaning’ zegt u: „intelligentie wordt bij musici als handicap gezien.”

„Goede, domme musici bestaan. Dat is een feit. Dirigent Arturo Toscanini was zeer intelligent. Karajan niet, maar ook hij was een groot dirigent omdat hij wist wat hij wilde horen en ervoor zorgde dat het orkest dat verwerkelijkte. Zelf probeer ik in recitals altijd ruimte te laten voor spontaniteit. In Beethovens Sonate Apasionata heb ik laatst ter plekke besloten de hele eerste pagina zonder pedaal te spelen. En dan, bij het forte, bam! De plotse introductie van het pedaal versterkte het door Beethoven bedoelde schokeffect. Maar voor spontaniteit is lang niet altijd ruimte geweest in de muziek. Haydn schreef eens in een brief: „Het zou goed zijn als er één repetitie zou zijn”. Haha, nou, dan was van interpretatie of spontaniteit geen sprake. En Chopin – die gaf les met een metronoom! Uiteindelijk is intuïtie het belangrijkste.”

Hoe gaat uzelf te werk?

„Interpretatie begint bij vingerzetting. Daarna zijn er de dingen in de muziek die je wilt laten horen. Veel pianisten hebben de neiging vreemde details te verdoezelen. Ik vind ze interessant en licht ze juist uit. Niet om te doceren, maar omdat ik het dramatisch effect ervan waardeer. Juist opmerkelijke details maken een stuk voor mij mooi en interessant.”

Alfred Brendel stopte op zijn 77ste met concerten uit angst voor technische achteruitgang. U speelt door?

„Ja! Van Brendel vraag ik me eerlijk gezegd af of hij het spelen ooit écht leuk vond. Maar ik vind het heerlijk; het is een fysieke noodzaak voor me. En dus ga ik door. In sommige stukken ben ik zelfs beter geworden, vind ik zelf.”

Lezing Charles Rosen vandaag, 17 uur. Concert 5/8; masterclass 6/8. Nexus-conferentie: 6/9. Inl.: www. peterdegrotedestival.nl