Hierom stemmen steeds meer mensen PVV

De zittende politiek biedt geen oplossing voor een eenvoudig probleem: de overlast van Marokkaans-Nederlandse jongens in de publieke ruimte, betoogt Moritz Bilagher.

Youp van ’t Hek vraagt zich in zijn column (Achterpagina, 11 juli) af hoe het toch komt dat de PVV steeds groter wordt en stelt voor dat een commissie hier eens naar kijkt. De ironie in het voorstel is mij niet ontgaan, maar de vraag is desalniettemin relevant. In april was al 40 procent van de Nederlanders het volgens Vrij Nederland met Wilders’ ideeën eens, en ook het succes bij de Europese verkiezingen lijkt eerder een stem voor de PVV, en dus tegen de zittende politiek, dan tegen Europa. Een vraag die maar weinig wordt gesteld is: hoe komt dat eigenlijk? Waarom doet de PVV het zo goed?

Het antwoord op deze vraag is verrassend eenvoudig, al is het onderliggende probleem daarmee niet simpel op te lossen. Het antwoord is het gedrag van veel jongens, veelal van Marokkaanse afkomst, in de openbare ruimte. Dit lijkt misschien een onbenullig probleem, maar dat is het niet. De nieuwsberichten in de media, over auto’s die in brand worden gestoken in Amsterdam Slotervaart, over rellen bij een voetbalwedstrijd tegen Jong Marokko in Tilburg en de onrust in Gouda, Kanaleneiland en de Diamantbuurt komen overeen met de ervaringen van inwoners van de grote steden.

Nu zijn deze problemen niet nieuw. Ze zijn er al meer dan tien jaar en in al die tijd heeft de zittende politiek niet de wil, of niet de vaardigheid, gehad deze op te lossen. Het is dan ook geen wonder dat de regio’s waar de PVV de grootste partij werd veelal in de Randstad liggen.

Het probleem is trouwens niet alleen een Nederlands probleem. Er waren ook rellen met jongens van met name Noord-Afrikaanse afkomst in Parijs en Brussel. Maar waardoor worden de Nederlandse problemen verergerd?

De kern van de zaak is de ontmoeting tussen de extreem autoritaire, Maghrebijnse cultuur en de juist anti-autoritaire, Nederlandse cultuur. In de Nederlandse cultuur wekt autoriteit weerzin op, gehoorzaamheid is geen positieve waarde. De aanname van Nederlanders is dat anderen er net zo over denken. In sommige culturen wordt autoriteit echter juist als krachtig geïnterpreteerd en kracht roept respect op. In zo’n cultuur is autoriteit dus achtenswaardig.

Nu is er geen probleem als mensen binnen hun eigen culturele groep blijven. De Nederlandse ‘overheidsdienaren’ (zeg, de politie, rechterlijke macht, onderwijzend personeel, hulpverleners) zijn allemaal op Nederlandse leest geschoeid en dit werkt prima binnen het raamwerk van de Nederlandse cultuur. Maar de parameters zijn nu anders: Nederland is nu eenmaal een multi-etnische en zelfs multiculturele samenleving. Sommige Nederlanders met een niet-Nederlandse achtergrond begrijpen de Nederlandse aanpak niet en interpreteren die tout court als ‘soft’. En dat roept verachting op, dus gebrek aan respect.

Door meer toe te geven aan straatjongens wordt bevestigd wat ze hebben geleerd, namelijk dat hun ostentatieve en vaak agressieve gedrag loont. Thuis zien ze de tirannieke vader, die zich ‘mannelijk’ gedraagt, en buitenshuis ziet men de ‘slappe Nederlander’, waarvoor men allengs verachting ontwikkelt. De aanpak van ‘de boel bij elkaar houden’, zoals in Amsterdam onder burgemeester Job Cohen, versterkt dat beeld. Zoals de interculturele expert Geert Hofstede eens heeft gezegd, is de Nederlandse cultuur ‘extreem feminien’ en anders dan in Engeland past het niet in onze cultuur een strijd te durven aangaan – en die dan te willen winnen. Maar dit keer breekt het ons op.

Het is verder diep in deze cultuur verankerd geen eigen rechter te spelen en misstanden via het democratische forum op te lossen. Dat is wat we nu zien gebeuren. En we hebben het eerder gezien met de opkomst van Pim Fortuyn.

Een groot deel van de Nederlandse bevolking ziet een reëel probleem en meent dat de huidige regeringspartijen dit niet kunnen of willen oplossen. Senator Hillen (CDA) illustreerde dit treffend door te beweren dat de burger niet van de overheid kan verwachten dat zij de bestaande problemen met minderheden oplost. Dat is merkwaardig, als voor velen die problemen juist belangrijk zijn. De PvdA heeft, na het softe beleid van minister Vogelaar, met Ploumens nota ‘Verdeeld verleden, gedeelde toekomst’ gepoogd een hardere lijn neer te zetten, maar openbaarde daardoor vooral de verwarring binnen de eigen partij.

Men ziet verder geen alternatief in de oppositiepartijen, zoals D66, de SP of GroenLinks. Als de Amsterdamse stadsdeelwethouder Ahmed Marcouch niet de verblijfsvergunning wil verlengen van twee criminele broers uit Marokko, noemt Kamerlid Dibi (GroenLinks) dit een „brevet van onvermogen” – niet voor de broers, maar voor Marcouch. Onder deze omstandigheden wenden kiezers zich, misschien niet onbegrijpelijk, tot Wilders, die van het oorspronkelijk kleine probleem maar meteen een probleem van de hele islam maakt. Dat is risicovol.

Als de zittende partijen, en de media, nog steeds niet de urgentie van de situatie inzien en volharden in het aanvallen van de boodschapper of de ‘menigte’, is het geen verrassing als Wilders straks de verkiezingen wint.

Moritz Bilagher is statistisch adviseur bij UNESCO in Kenia.