Een eenling gedreven door rancune

Nederland was in 1987-’88 in de ban van de ontvoering van Gerrit Jan Heijn. De gisteren overleden Ferdi E., een werkloze ingenieur, voelde zich vernederd door regenten als Heijn, zei hij.

Zelfs toen het spoor in 1988 naar hem voerde – hij had gemerkte briefjes van het losgeld uitgegeven voor boodschappen – kon de recherche niet geloven dat het om één man ging. Ferdi E., de man die gisteren in het buurtschap Medler nabij Vorden is verongelukt, was een sjekkie rokende einzelgänger. De toen 45-jarige werkloze ingenieur uit Landsmeer – getrouwd met een kunstenares, drie kinderen – had met zorg de ontvoering van Gerrit Jan Heijn voorbereid.

De ontvoering en de moord op Heijn beheersten bijna 22 jaar geleden zeven maanden het nieuws. E. had Heijn dezelfde dag gedood, maar liet de buitenwereld in de waan dat zijn slachtoffer nog leefde om daarmee het losgeld te krijgen. En iedereen geloofde dat de Ahold-topman was ontvoerd door een criminele bende.

Pas toen het lichaam werd gevonden – de vindplaats werd door E. zelf aangewezen – geloofden recherche en politie dat ze werkelijk met de enige moordenaar en ontvoerder te maken hadden. Hij was een eenling, die door rancune gedreven werd.

E. ontvoerde op woensdagochtend 9 september 1987 Gerrit Jan Heijn (destijds 56), vicevoorzitter van de raad van bestuur van het Ahold-concern, die zijn villa in Bloemendaal juist verliet voor een bezoek aan de tandarts. E. nam Heijn mee naar de bossen in het Gelderse Renkum, waar hij als kind had rondgedwaald. Ze wandelden en keuvelden, Heijn moest cassettebandjes inspreken. „Ik vond het een aimabel mens, maar ik moest afstand bewaren, want een aardig mens kun je niet doodmaken”, zei hij veel later, in het tv-programma Zembla (2003).

Om half tien ’s avonds schoot hij zijn gijzelaar een kogel door het achterhoofd. E. begroef het lichaam in de bossen, maar niet nadat hij een pinktop afsneed. Ook nam hij de bril mee van Gerrit Jan Heijn. Het kokertje met de pink bewaarde hij thuis in de vriezer.

E. liet de familie Heijn in de waan dat Gerrit Jan niet dood was. E., één dag door zijn vrouw als vermist opgegeven, keerde terug naar zijn woonplaats Landsmeer, even ten noorden van Amsterdam.

De ontvoering was een media-event. De familie communiceerde met de ontvoerder via de krant. Advertenties van JOHAN (de familie Heijn) aan MARIA staan in de rubriek ‘diversen’, vice versa. Gerrit Jans vrouw Hank deed 3 december een tv-oproep en toen de zaak op een dood spoor zat, gooide justitie eind 1987 de zaak open. Het publiek mocht meehelpen; er stroomden twaalfduizend tips binnen, waaronder drieduizend van paragnosten.

Het spel om ruim 8 miljoen gulden aan losgeld en diamanten duurde tot 6 april 1988, de dag van zijn arrestatie.

Na zijn arrestatie bekende E. vrijwel meteen. Zijn familie was verbijsterd, zo beschreef E.’s vrouw in een autobiografische roman uit 2000, De kleine Britt.

Tijdens de rechtszittingen in 1988 in Haarlem en het hoger beroep in Amsterdam zei hij dat hij het losgeld nodig had om zich te kunnen wreken op zijn voormalige collega’s, vier bestuursleden die hem na een arbeidsconflict aan de kant hadden gezet. En die moesten dood. Hij voelde zich vernederd door „regenten”. Als vertegenwoordiger van de regentenklasse werd Heijn zijn symbolische vijand. Jaren later zei hij tegen weekblad Elsevier dat die „dodenlijst” niet heeft bestaan. „Ik heb dat verhaal verzonnen in de hoop dat de rechtbank mij verminderd toerekeningsvatbaar of volledig ontoerekeningsvatbaar zou verklaren. Onder geen beding wilde ik levenslang.”

Hij werd eind 1988 veroordeeld tot twintig jaar en tbs. Na ruim dertien jaar kwam hij vrij in augustus 2001. Eind dat jaar kreeg hij met behulp van zijn advocaten, onder wie Wim Anker, 700.000 gulden aan achterstallige uitkering van de staat. Ze hadden bewezen dat ook gedetineerden recht hebben op WAO. Dat leverde opnieuw rumoer op in de media. E. zei in 2006 tegen dagblad De Stentor dat hij een ton in guldens eraan had overgehouden. Het losgeld was overigens „al lang” teruggeven, voegde hij toe.

Hij had spijt, zei hij. Tegen het einde van zijn gevangenschap kwam het tot voorzichtig contact met Ronald Jan Heijn, de zoon van Gerrit Jan en bekend als oprichter van new-agecentrum Oibibio. Die was in 1998 evenwel niet overtuigd van de oprechtheid van E’s inkeer. „Al snel voelde ik dat die man niets had geleerd. Er was geen werkelijk berouw, geen inzicht in wat hij had veroorzaakt.”

Later kwam het opnieuw tot contact met de familie Heijn. E. betuigde spijt in een brief aan de weduwe Heijn. Een jaar later beantwoordde ze die, en weer een jaar verder vertelde Hank Heijn-Engel haar verhaal in De Verzoening (2006). Ze had E. vergeven, zei de weduwe-Heijn, ze wilde niet omzien in wrok.

Op de vraag wat Ferdi E. het wreedst vond, achteraf, zei hij in het tv-programma Zembla (2003) dat hij de pink opstuurde en mevrouw Heijn schreef „dat het nog wel even zou duren tot haar man weer piano zou kunnen spelen.”

Ferdi veranderde zijn naam in Paul, verhuisde met zijn echtgenote – met wie hij hertrouwde – van Landsmeer naar het Gelderse Ruurlo. Het liefst zou hij Nederland verlaten. Australië, bijvoorbeeld. Stilte, daar verlangde E. naar, na lang te zijn omgeven door lawaaierige medegevangenen. Vanwege kinderen en kleinkinderen bleef hij in Nederland.