Doof en blind is het leven minder gezellig

Frans Punselie (63) is doof geboren en werd op latere leeftijd blind.

Een interview met hem doen gaat met een tolk die vingerspelt in zijn hand.

We staan voor de deur van Frans Punselie (63), in een rustige straat in Nijmegen. Frans, doof en blind, weet dat wij, een studente gebarentaal en ik, om 14.00 uur komen. De verticale jaloezieën voor zijn raam zijn gesloten. Onder zijn bel staat ‘Eén keer hard en lang drukken’.

Ik druk één keer hard en lang.

Na zo’n dertig seconden horen we gestommel. De deur gaat open. Een forse, gebruinde man in korte broek en T-shirt steekt zijn armen uit en beweegt ze in het rond. Het blijft stil, op wat kreunen na.

Dan pakt de studente zijn beide handen en begint tegen de binnenkant te gebaren. Handgebaren, soms letters spellend in zijn handpalm. Punselie gebaart terug, tegen de palmen van de hare. Hij lacht. Zijn naamgebaar is ‘Frans’ en ‘lachen’. We zijn welkom.

In de kleine hal is rechts de deur naar de woonkamer. In de woonkamer rechts een open keuken, links een eettafel, kast, bank, salontafel en bureau. In het midden een paal. Punselie gaat ons voor, kort voelend aan tafel, paal, kast en deur, op weg naar de tuin. Het heeft net geregend en het is warm. Hij vraagt of we het interview in de tuin willen afnemen.

De tuin is deels betegeld, deels moestuin. Op wat onkruid na groeit er niets. Punselie vraagt of de stoelen nat zijn. Het plastic tuinmeubilair is droog, maar hij begrijpt het verkeerd en haalt een doekje.

Zijn tolk kan elk moment komen. Ondertussen vertelt Punselie over de wijk waar hij vroeger woonde, het Rotterdamse Feyenoord. Dan trilt de buzzer aan zijn T-shirt tegen zijn borstkas. Hij voelt, steekt glimlachend zijn vinger omhoog, staat op en komt even later terug met een blonde vrouw, een van zijn vaste tolken. Ze gaan dicht tegenover elkaar zitten. Beiden met uitgestoken handen, voortdurend in contact. Ik zit achter Punselie. Het gesprek kan beginnen.

Bent u altijd al doof en blind geweest?

„Nee, ik ben niet blind geboren, wel doof. Slechtziend was ik altijd al. Ik ben in Rotterdam geboren. Ik moest heel voorzichtig zijn. Het is daar erg druk.”

Hoe bent u blind geworden?

„Toen ik vier jaar oud was, liep ik ’s avonds met mijn ouders over straat. Ik liep steeds fout. Mijn ouders grepen me vast. Twee jaar later zei de dokter dat ik het syndroom van Usher had, waardoor ik steeds slechter ben gaan zien.”

Hoe ging dat in uw kindertijd?

„Mijn ouders hebben me goed geholpen. Op de dovenschool was het moeilijk. Met sporten sprong ik soms tegen het touw aan, ik kon het niet goed zien. En ik had moeite de letters recht tussen de lijnen te schrijven. Dan kreeg ik een tik op m’n hoofd.”

En later?

„Ik werd metaalbewerker, achter de draaibank. Ik maakte ijzeren schroeven voor boten en bruggen. Dat heb ik twintig jaar gedaan. Totdat het te gevaarlijk werd. Ik wilde liever doorwerken, maar ik mocht het werk niet alleen met gevoel doen.”

En toen werd u blind.

„Ik was rond de dertig en op een vakantie in Spanje toen mijn ogen last kregen van de zon. Twee jaar later begon ik op aanraden van de dokter vast braille te leren. Op mijn 36ste was ik volledig blind.

Dat was heel vreemd. Ik kon niets meer. Niet de krant lezen, niet eten. Het was veel voelen en zoeken. Ik greep de dokter vast en zei: ‘ik wil zien!’ Een half jaar lang zat ik bang, boos en verdrietig bij mijn ouders thuis. Totdat ik naar Kalorama ging, een woongroep voor doofblinden. Daar heb ik leren vingerspellen en handgebaren.”

Waarom bent u daar niet gebleven?

„Ik woon liever niet begeleid. Veel doofblinden hebben een laag niveau. Zoals mijn broer, die ook doofblind is en in Kalorama woont. Contact met hem is moeilijk. Hij begrijpt veel minder.”

Pauze. Anderhalf uur handgebaren is vermoeiend. Punselie staat op en loopt voelend aan deurklink, kast en paal naar de keuken, waar hij zijn hand op de bovenkant van de kraan legt, de kraan opendraait en water drinkt.

Alles in zijn huis heeft een vaste plek, al twintig jaar. Aan de muur hangt een gitaar. Van vroeger, toen hij graag Elvis nadeed. Op tafel staat een vaas nepbloemen. In de kast ligt een schaakbord. De zwarte schaakstukken elk met een pin, de witte zonder. Er staat een tiendelig kookboek voor de magnetron, in braille. En een goed gelijkend, in hout uitgesneden hondje, gemaakt door Punselie zelf, toen hij al blind was. Dat heeft wel wat bloed gekost, vertelt hij. Punselie toont zijn braillelezer, aangesloten op de pc. Het apparaat zet e-mails om in puntjes die omhoog gaan. Hij zet de computer aan, het beeldscherm blijft uit. Sms’jes ontvangt hij op zijn mobiele teksttelefoon. Een buzzer onder zijn kussen wekt hem ’s morgens. De tijd leest hij af van een horloge waarvan het glas omhoog kan.

Wat doet u op een dag?

„Douchen, brood eten, koffie zetten en de krant lezen op de computer. Soms doe ik boodschappen. Oversteken kan ik niet, maar er is een winkel om de hoek. Het enige lastige zijn de fietsen op de stoep; er wonen hier veel studenten in de buurt. En twee keer per week ga ik zwemmen. Dan volg ik het touw zodat ik in een rechte lijn zwem. Als het touw omhoog gaat, weet ik dat ik moet omkeren.”

Heeft u begeleiding?

„Twintig uur per week. Een begeleider brengt me naar het zwembad, naar de stad, de markt of het café. Helpt met de post, met boodschappen, met de tuin; als er een poes in de tuin heeft gepoept, kan ik dat niet zien. En hij kijkt wat er schoongemaakt moet worden. Schoonmaken doe ik soms zelf. Eten koken ook. Aardappels doe ik onder koud water om te zien of alle schilletjes eraf zijn. Bij vlees ruik ik of het vers is.”

Bent u nooit bang alleen?

„Mocht er onverwachts worden aangebeld, dan steek ik mijn arm uit het raampje in de voordeur en toon ik een kaartje met de tekst ‘Ik ben doofblind. Als u met met mij wilt praten kunt u met uw vingers hoofdletters in mijn hand schrijven’. Blijft het onduidelijk wie er aan de deur is, dan doe ik het raampje weer dicht. Bang ben ik niet. Schrikken doe ik soms wel, als ik buiten sta en plotseling wordt aangetikt.”

Bent u eenzaam?

„Nee. Ik krijg veel begeleiding. En ik heb veel vrienden. Doofblinde vrienden, maar ook horende en ziende vrienden. Die gebruiken meer taal, dat is leuker.”

Heeft u een relatie?

„Toen ik blind werd, trouwde ik met een slechtziende en –horende vrouw die ook in Kalorama woonde. Na vier jaar wilde ze scheiden. Waarom weet ik nog steeds niet. Dat was moeilijk. Daarna heb ik nog een relatie gehad met een horende en ziende, nu ben ik alleen. Communiceren met anderen is moeilijk. En doofblinden in Nederland zijn er niet veel.”

Mist u het zien?

„Ik weet hoe dingen eruitzien, dat is belangrijk. Maar ik mis het wel. Films kijken, voetbal, eigenlijk alles. Het leven is nu saaier, minder gezellig.”

Stel dat u weer zou kunnen zien, wat zou u het liefste zien?

Punselie zegt het jammer te vinden dat hij nooit meer zal kunnen zien. ‘Nee, dat bedoel ik niet’, gebaart de tolk, die de vraag nogmaals vingerspelt in zijn hand. Tien minuten lang proberen we verschillende formuleringen. Het lukt niet.

Welk cijfer geeft u uw leven?

„Gemiddeld een zes. En morgen hoger. Dan komt er bezoek.”

Het is vijf uur. Het interview is klaar.