De musea en het plein

Toen de nieuwe Hermitage Amsterdam op 19 juni werd geopend, werd er een gezamenlijke gelukwens bezorgd van de directies van Rijks-, Van Gogh- en Stedelijk Museum. Dat was een ongekend gebaar. Tot voor kort opereerden die drie musea liefst gescheiden, ook al staan ze op loopafstand van elkaar en beheren ze samen de essentie van de beeldende kunst in Nederland: het Rijksmuseum de oude kunst, het Stedelijk Museum de moderne kunst, en het Van Gogh de nalatenschap van het wereldwijd geadoreerde Nederlandse genie Vincent van Gogh.

Deze gemeenschappelijke gelukwens voor de Hermitage bezegelt de ontwikkeling naar een nieuwe stijl van leidinggeven. Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes is daarvan de aanjager. Hij verscheurde ook de bepaling van zijn voorganger, die de Hermitage verbood om schilderijen van Rembrandt te exposeren. Pijbes en zijn collega’s beseffen dat grote musea als de hunne gedijen bij een visie zonder smetvrees en belust op avontuur op andermans erf. Zo exposeerde het Rijks afgelopen winter de met diamanten beklede mensenschedel van Damien Hirst. Een evenement van jewelste, dat in een nabij verleden strikt tot het territorium van het Stedelijk Museum zou hebben behoord. En tot 23 augustus kan er in het Van Gogh genoten worden van de expositie Avant-gardes ’20 / ’60, die het Stedelijk er als gast presenteert nu het eigen gebouw door de renovatie een bende is.

De gemeente Amsterdam springt in op deze onderlinge toenadering en laat een nieuw ‘masterplan’ ontwikkelen voor het Museumplein. Dat moet eindelijk serieus worden omgevormd tot het hart van cultureel Nederland. Want er bestaan in de wereld weinig pleinen die zo veel mee hebben. Met het wereldberoemde Concertgebouw erbij liggen er vier nationaal culturele kroonjuwelen omheen. Maar wel allemaal met hun rug er naartoe. Het Rijks en het Stedelijk deden altijd of het Museumplein niet bestaat. Het Concertgebouw renoveerde zijn ingang naar een zijstraat. Het Van Gogh barricadeerde zich met een soort geschutskoepel.

In de zomer van 1999 werd een nieuw Museumplein ingewijd, een creatie met veel gras van de Zweeds-Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson. Een veld is geen plein, zo bleek. Indrukwekkend of juist knus is het Museumplein nooit geworden. Wel armoedig en platgetrapt als er een evenement had plaatsgevonden.

Het is moedig van Amsterdam dat de stad volhardt in het verlangen naar een plein van allure en dat er nu weer een landschapsarchitect en een stedebouwkundige aan de slag mogen. Die verdienen het dat de stad hen beschermt tegen de bemoeizucht van verenigingen voor eigenbelang. Laten zij zelf niet beleefd omspringen met Anderssons veld, maar hun inspiratie zoeken in het volle leven van de kunsten.

De drie musea en het Concertgebouw erkennen eindelijk dat het plein een spil is. Ze zijn genegen om hun ingangen naar het plein te keren. Rijks en Stedelijk staan al in de steigers. Het is nu of nooit.