De jeugd poldert effectiever in de oude instituties

Het gaat jongeren niet lukken zich te verenigen in een polderbeweging.

Een jonge stratenmaker en een rechtenstudent hebben geen gedeelde belangen.

‘De jonge generatie moet meepolderen’, betoogt Bart Keuper in nrc.next (28 juli). Volgens Keuper moeten jongeren een ‘nieuwe polderbeweging’ opzetten. Dit omdat het polderoverleg van nu geen rekening zou houden met jongeren.

Het polderoverleg is nu georganiseerd via horizontale vertegenwoordiging (tussen werkgevers en werknemers), maar Keuper wil dat het ook verticaal gebeurt (tussen generaties). Door een voorhoede van jongeren mee te laten praten in bijvoorbeeld de Sociaal Economische Raad (SER) en het Voor- en Najaarsoverleg tussen kabinet en sociale partners wordt het veronderstelde tekort aan jeugdige input opgeheven.

De strekking van zijn verhaal is sympathiek. Eigenlijk doet Keuper een appèl op twintigers en dertigers om zich actiever te bemoeien met maatschappelijke discussies die impact hebben op de lange termijn. Het is immers hun toekomst. So far, so good.

Maar wie zijn die ‘jongeren’? In de leeftijdscategorie van twintig- tot veertigjarigen hebben we het over 4,25 miljoen mensen. Die groep is dusdanig divers in opleidingsniveau, levensovertuiging, achtergrond en mate van interesse in politiek-maatschappelijke vraagstukken dat het zeer de vraag is of daar wel een gedeelde opvatting te vinden is.

Deelt een stratenmaker van 25 wel belangen met een rechtenstudent van 28? Hebben Keuper en ik een vergelijkbare toekomstvisie over Nederland? Het lijkt mij van niet. Opleidingsniveau of politieke voorkeur zouden wel eens veel bepalender kunnen zijn voor iemands opvatting over werk, verdeling van welvaart of pensioen.

Keuper vindt een voorhoede met een achterban van 10.000 jonge vertegenwoordigers voldoende representatief. Representatief om beslissingen te maken voor en namens de jonge generatie. Ik herhaal het nog maar even: die groep van twintig- tot veertigjarigen bestaat uit 4,25 miljoen mensen. De omvang van deze ‘achterban’ is dus veel te klein.

Daarnaast is het een merkwaardige veronderstelling van Keuper dat de huidige partijen in het poldermodel geen rekening houden met het belang van de jongeren. Volgens de auteur zijn het de ‘oude organisaties die een oude generatie vertegenwoordigen’. Juist in het licht van de crisis is het een gotspe de vakbond dat verwijt te maken. Op aandringen van de FNV staat bestrijding van de jeugdwerkloosheid centraal in het Sociaal Akkoord dat dit voorjaar werd gesloten. Dit Akkoord resulteerde in het Actieplan Jeugdwerkloosheid.

Ook de suggestie dat de polder een gesloten babyboomersbastion is, snijdt geen hout. Sinds 2006 heeft FNV Jong een zetel in de SER en strijdt zij met verve voor deelbelangen van jongeren. Neem het advies over de positie van allochtone jongeren, over de Wajong of de arbeidsmarkt van de toekomst. Deelbelangen dus, want hét jongerenbelang bestaat simpelweg niet.

FNV Jong is inderdaad gelieerd aan een ‘oude’ organisatie, als je het zo wilt noemen. Net als politieke jongerenorganisaties. En misschien ligt daar wel de sleutel om het onbehagen van Keuper weg te nemen. Want ligt het niet veel meer voor de hand om je bij de besluitvormingscircuits (lees: de politiek) te manifesteren? Dat kan toch bij uitstek binnen politieke organisaties? Die staan immers te springen om jongeren en zijn zeer bereid om te luisteren.

Dat geldt overigens ook voor vakbonden. Vakbonden en politieke partijen geven jongeren graag meer ruimte. Juist omdat er zo weinig jongeren actief zijn. Ter illustratie: van de beroepsbevolking tussen 24-44 jaar is 21 procent lid van een vakbond. De politieke organisatiegraad van deze leeftijdscategorie ligt op ongeveer 2 procent.

Is het dan niet zaak ervoor te zorgen dat jongeren zich veel meer dan nu aansluiten bij bonden en partijen? En dat zij van daaruit de boel overnemen? De aloude mars door de instituties dus, maar dan wel door verschillende instituties met verschillende politieke of levensbeschouwelijke kleuren. Juist om de diversiteit onder de jongeren recht te doen. Voor een mars heb je veel mensen nodig. Niet tienduizend, maar tienduizenden.

Als jongeren dan tóch gedeelde belangen en opinies hebben op basis van hun leeftijd, is het wellicht zinniger een jongerenpartij op te richten en mee te doen aan de komende verkiezingen. Misschien zijn de jongeren te mobiliseren, juist met moderne communicatiemiddelen. Maar eerlijk gezegd heb ik er geen enkel vertrouwen in. Als het al lukt, zal zo’n beweging net zo’n lang leven beschoren zijn als de ouderenpartijen die ook ooit eens in de Tweede Kamer te vinden waren.

Keupers nieuwe polderbeweging is gedoemd om te vervallen in geklets zonder richting, draagvlak en impact als jongeren niet zelf in beweging komen. Het netwerk van ‘De tienduizend’ wordt het zoveelste leuke Hyvesachtige clubje met een leuk bestuur, leuke borrels en wie weet een leuk meninkje. Niets meer en niets minder.

Rutger Groot Wassink (35) is beleidsadviseur arbeidsmarktbeleid en sociale zekerheid bij de FNV vakcentrale