'Bind pensioenpremies aan een maximum'

Werkgevers moeten miljarden bijstorten in hun pensioenfondsen en betalen tweederde van de hogere premies. En dat middenin een economische crisis. Hoe lang houden ze dat vol?

Gerard Verheij van VNO-NCW

Zijn opsomming klinkt als een rit in een achtbaan. Omhoog, steil omlaag, weer rap naar boven, maar dan nog dieper omlaag. Maar het verschil is: dit is niet een verslag uit een pretpark, maar de weerslag van twaalf jaar pensioenbeleid.

Voor werkgevers is pensioen de duurste secundaire arbeidsvoorwaarde. Voor werknemers is het een gegeven, waarbij zij, zo blijkt telkens uit onderzoek, een groot vertrouwen hebben in hun werkgever én hun pensioenfondsen.

In de twaalf jaar dat Gerard Verheij namens werkgeversorganisatie VNO-NCW onderhandelt over het pensioenbeleid in Nederland, heeft hij de rendementen op de financiële markten eerst zien pieken. Eind 1999 verdienden pensioenfondsen zoveel geld op hun beleggingen dat de pensioenpremies omlaag gingen en sommige grote ondernemingen, zoals Philips en Unilever, zelfs geld terug kregen.

Toen kwam de internetkrach en de brief van 30 september 2002 van de toezichthoudende Nederlandsche Bank dat pensioenfondsen snel hun tekorten moesten wegwerken. De premies verdubbelden in een paar jaar tijd tot 25 miljard euro. In 2003 volgde miraculeus herstel van de rendementen, maar eind vorig jaar diende een nieuwe pensioencrisis zich aan: de beleggingen kelderden met 100 miljard euro, de dalende rente maakte pensioenen duurder. Werkgevers betalen ongeveer tweederde van de premies, die nu opnieuw worden verhoogd. Zij moeten tevens miljarden euro bijstorten in hun pensioenfondsen.

Hoe lang kunnen werkgevers dat nog volhouden?

„Werkgevers hebben sinds de vorige pensioenproblemen in 2002 al grote geldbedragen naar pensioenfondsen gesluisd. Dat kan zo niet doorgaan. Volgens de financiële regels voor de pensioenwereld komt een crisissituatie als deze eens in de veertig jaar voor, maar dit is nu de tweede in acht jaar. Werkgevers zeggen nu met nog meer overtuiging: dit moet afgelopen zijn. De risico’s van de pensioenen voor de onderneming moeten beter beheerst worden, hebben wij begin 2008 in onze pensioennota gezegd, en de kosten moeten omlaag.”

Daar ziet het nu niet naar uit.

„Nee, het gaat juist de andere kant op. Vandaar dat het nu echt tijd is om corrigerende maatregelen te nemen. Om te beginnen moeten ondernemingen en bedrijfstakken een maximum vaststellen voor de pensioenpremie. Zeg 20 procent van de grondslag van het pensioen. Als de premie daarboven komt, zoals nu, moet er wat worden gedaan. Dat gaat gebeuren. Het is onacceptabel dat de prijs naar 25 procent of meer gaat, zoals nu gebeurt. Dat schaadt de concurrentiepositie van het bedrijfsleven. In Oost-Europa en Azië weten ze niet hoe ze pensioen moeten schrijven. Ik zie de schrik bij de grote multinationals in Nederland die hun pensioenkosten enorm zien stijgen. Van hun personeel werkt misschien 20 tot 30 procent in Nederland, maar zij zijn goed voor 60 tot 70 procent van de pensioenkosten. Je ziet dat daar de messen worden geslepen. De pensioenkosten moeten terug.”

Welke multinationals zijn dat?

„Namen noemen wil ik niet. Kijk om je heen: steeds meer grote ondernemingen hebben weinig of geen Nederlanders meer in de top. Die mensen komen uit een heel andere pensioenomgeving met veel meer individuele pensioenregelingen. Zij verbazen zich erover hoe duur de Nederlandse regelingen zijn. Als een van de grote ondernemingen een nieuwe eigen regeling gaat maken, dan volgt de rest met één of twee jaar.”

Willen de werkgevers dat de werknemers meer voor hun rekening nemen dan de eenderde van de pensioenpremie die zij nu betalen?

„Wij willen met de vakbonden tot afspraken komen over versobering zonder de kern van het Nederlandse pensioenstelsel van solidariteit en collectiviteit aan te tasten. Dat kan vervolgens per onderneming en bedrijfstak worden uitgewerkt. In 2002 hebben de werkgevers en de vakbonden ook samengewerkt aan hervormingen door de pensioenen niet meer te koppelen aan het laatstverdiende loon, maar aan het gemiddelde loon. De risico’s voor de werkgever moeten beter beheersbaar worden gemaakt. Geen heilige huisjes meer. Anders zal de wal het schip keren. Dan verwacht ik dat er grote ondernemingen zullen zijn die hun regeling gaan veranderen zodat beleggingsrisico’s en inflatierisico’s meer bij werknemers en gepensioneerden komen te liggen.”

Wat betekent het verlagen van de pensioenkosten in de praktijk?

„De inhoud van de pensioenregelingen moet versoberd worden. Pensioenregelingen mikken op 70 procent van het gemiddelde loon, maar doordat werknemers nu jaarlijks een hoger percentage sparen voor hun pensioen dan vroeger en ook langer doorwerken en dus langer pensioen opbouwen, gaat dat in de praktijk naar 80 of 90 procent. Dat spaarpercentage, in jargon het opbouwpercentage, kan omlaag. Verder kan het bedrag dat in de pensioenregeling voor de AOW wordt gereserveerd ook omhoog. Verder kan je denken aan een hogere pensioenleeftijd.”

De Nederlandsche Bank voorspelt extra krimp door de stijgende pensioenkosten. Is dat realistisch?

„Ik denk het wel, je kunt het natuurlijk pas achteraf met zekerheid zeggen. Bij de vorige pensioenproblemen in 2002 is het economisch herstel ook vertraagd door de maatregelen die werkgevers en werknemers toen moesten nemen. De miljarden die werkgevers nu naar pensioenfondsen overmaken, worden in ieder geval niet geïnvesteerd in nieuwe machines en innovatie.”