Rechten van politici

De rechtspositie en de beloningstructuur voor politieke ambtsdragers is een gevoelig punt. Het ‘zakkenvullerssyndroom’ speelt al gauw een rol: de angst van politici voor dat deel van de kiezers dat er bijna per definitie van uitgaat dat Kamerleden, ministers en andere politieke bestuurders voornamelijk op eigen gewin uit zijn. Het vergt enige moed om niet aan dat gevaarlijke vooroordeel toe te geven.

Terwijl er veel voor te zeggen is politici beter te belonen voor de inspanningen die zij voor het algemene belang verrichten, heeft zowel het kabinet als oppositiepartij SP initiatieven ontwikkeld om hun rechtspositie juist te verzwakken. Voor een deel is dat terecht. Het Tweede Kamerlid Van Raak van de SP, die een initiatiefwetsvoorstel naar zijn collega’s stuurde, en minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA), die een kabinetsvoorstel indiende, pleiten beiden voor invoering van een sollicitatieplicht voor oud-Kamerleden.

Dat wordt inderdaad hoog tijd. Al in 2003 nam de Kamer een motie aan waarin zij uitsprak dat er een sollicitatieplicht moet komen voor voormalige Tweede Kamerleden die wachtgeld genieten. Achtereenvolgende kabinetten-Balkenende hebben bepaald geen haast gemaakt met de uitvoering hiervan. De plicht gaat overigens ook gelden voor onder anderen ministers, gedeputeerden en wethouders.

Er zijn verschillen tussen de twee voorstellen. Zo heeft het kabinet een milder overgangsregime voor zittende politici voor ogen dan de SP en wil het een vrijstelling van de sollicitatieplicht in de eerste drie maanden. De SP meent dat werkloze oud-politici onder de regels van de sociale wetgeving moeten vallen. Dat houdt onder meer in dat ze elke week moeten solliciteren en zonodig een reïntegratietraject volgen. Ook wil de SP de wachtgeldregeling, overeenkomstig een WW-uitkering, binden aan een maximumduur van 38 maanden. Het kabinet stelt voor de duur van zes naar vier jaar te verlagen. Erg principieel zijn de verschillen niet tussen de beide voorstellen, althans niet in hun uitwerking.

Maar de uitgangspunten zijn wel wezenlijk anders. Waar het kabinet oog houdt voor de bijzondere positie van politieke ambtsdragers, ziet de SP hen als ‘gewone’ werknemers. Daarmee gaat deze partij voorbij aan het hoge afbreukrisico voor politici, die van de ene dag op de andere hun functie kunnen kwijtraken en geen ontslagbescherming hebben. Hier staat een beloning tegenover die niet buitensporig is in vergelijking met het bedrijfsleven. Die mag best wat hoger zijn. Bijvoorbeeld om te bereiken dat politici niet vooral uit ambtelijke kringen worden gerekruteerd. Of om de kwaliteiten die het politieke en bestuurlijke handwerk vergen.

Wegens de crisis heeft het kabinet eerder afgezien van zijn voornemen de salarissen van ministers en andere politici te verhogen. Dat is op dit moment begrijpelijk. Maar de discussie zal terugkeren. Hopelijk realiseren politici zich dan dat in dit geval hun belang en het algemeen belang samenvallen. En hebben zij de durf om een impopulair besluit te nemen.