Op smeris staan

Er bestaan tientallen volkswoorden voor ‘politieagent’. Vooral de glimmende politiehelm leidde tot veel bijnamen.

Uit de jaren dat ik nog knikkerde, herinner ik me dat wij agenten juten, smerissen en adjes noemden. Ik ben geboren in Den Haag en dat is de stad waar ik heb leren steppen en fietsen, maar toen ik negen was verhuisden wij naar Capelle aan den IJssel.

Naar alle waarschijnlijkheid heb ik daar, of later op de middelbare school in Rotterdam, de woorden ad, adje en adoot leren kennen, allemaal voor ‘politieagent’, want voor zover ik kan nagaan zijn dit woorden die vooral in Rotterdam bekend waren. Waar ze vandaan komen weten we niet. Het zijn woorden uit de straattaal of uit de dieventaal en ze zijn relatief jong. Adje, dat ook voorkomt als atje en atji, is in 1905 voor het eerst opgetekend, door F.A. Stoett, en ook hij noemde het toen al een typisch Rotterdams woord. Adoot, adoteman en adeet dateren van de jaren dertig van de 20ste eeuw – althans, toen zijn ze voor het eerst ergens opgeschreven.

Er bestaan tientallen volkswoorden voor ‘politieagent’, en van de meeste hebben we geen idee waar ze vandaan komen. Een uitzondering vormen de woorden die verwijzen naar de glimmende helmen die agenten vroeger droegen. Blikhoed, glimmerik, glimmend gassie (lees: petje), glimworm, helm, hoed, koper – ze verwijzen allemaal naar dat hoofddeksel.

„De blinkende helm, waarmede onze politie vroeger getooid was”, schreef A. Mineur in 1946 in Echt Rotterdamsch, „beteekende een ware handicap bij de uitoefening van haar moeilijke taak en het komt ons thans onbegrijpelijk voor, hoe het nog zoo lang heeft kunnen duren, vóór dit lastig attribuut van onze politiemannen werd afgeschaft. Zij werden al op grooten afstand gezien, vooral als de zon haar stralen op dit hoofddeksel weerkaatsen deed, maar ook des nachts, wanneer het schijnsel der lantaarns een politiehelm belichtte. Als overgangsmaatregel werden onze agenten indertijd alleen des nachts van petten voorzien, vóórdat de blinkende helm voorgoed werd opgeruimd. Toen dit nog niet het geval was, zag een agent zich vaak genoodzaakt, als hij in de verte een of andere ongerechtigheid ontdekte, z’n helm af te zetten en achter z’n rug verborgen te houden, om niet den overtreder al op grooten afstand voor z’n nadering te waarschuwen.”

Juut, zegt de Grote Van Dale, verwijst waarschijnlijk naar het fluitje dat agenten vroeger hadden, maar ik moet het eerste fluitje nog tegenkomen dat juut laat horen als je erop blaast.

Van het woord smeris weten we wel waar het vandaan komt. We komen dit woord in 1800 voor het eerst tegen, in processtukken van de zogenoemde Brabantse Bende, met als betekenis ‘ijder persoon die op schildwacht moet staan’. Aanvankelijk werd smeris vooral gebruikt voor de crimineel die op de uitkijk stond en men zei ook wel op smeris of smieris staan. Vanaf eind 19de eeuw zien we dat smeris vooral wordt gebruikt voor de overheidsdienaar die een oogje in het zeil houdt, voor de ‘politieagent’ dus. Waar komt dit woord vandaan? Via het Jiddische sjemiere van het Hebreeuwse sjemiera, beide met als betekenissen ‘wachter’ en ‘bewaking’.

Ewoud Sanders

Reacties naar sanders@nrc.nl